Einde productiviteitsparadox ondergang nieuwe economie.

Christel Deckers

Over het effect van informatie- en communicatretechnologie op de economie zijn de economen het niet eens. Is er sprake van een productiviteitsgroei of juist niet? Is de ICT -revolutie het begin of de ondergang van de nieuwe economie? Volgens Jan Reijnders zijn de antwoorden vaak gekleurd door de lengte van de periode die men analyseert. Er is sprake van een perspectivische vertekening. Jan Reijnders De directe aanleiding tot het debat rond de 'nieuwe economie' vormt de aanhoudend gunstige economische. Ontwikkeling in met name de Verenigde Staten. Het is gebruikelijk om deze gang van zaken ook van toepassing te verklaren op Nederland, het 'Amerika aan de Noordzee', dat geacht wordt een soortgelijke ontwikkeling door te maken. Sinds de conjuncturele omslag in het begin van de jaren 90 groeit de economie onafgebroken met tenminste twee percent per jaar (drie percent voor de USA). De werkgelegenheid neemt in rap tempo toe zonder noemenswaardige.-effecten op het inflatietempo. Aanhangers van de nieuwe economie schrijven deze gunstige ontwikkeling voornamelijk toe aan de revolutie in de informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het daarmee gepaard gaande proces van globalisering. De productiviteitseffecten van de ICT -revolutie en de globale tucht van de markt dragen zorg voor een gematigde prijsontwikkeling. Zij zorgen ervoor dat de traditionele snelheidsbegrenzers van de economie niet langer werken waardoor ook de conjunctuurbeweging tot het verleden gaat behoren. Zowel de claim dat we een periode van ononderbroken hoge economische groei tegemoet gaan als de stelling dat de conjunctuurbeweging zal verdwijnen, zijn uiterst controversieel. Wat het eerste betreft is de steen des aanstoots dat de veronderstelde effecten op de ontwikkeling van de productiviteit niet, of slechts met zeer veel fantasie, uit de macro-economische productiviteitscijfers zijn af te lezen. Wat dit betreft lijkt Solows productiviteitsparadox op te gaan: Je kunt het computertijdperk overal zien behalve in de productiviteitsstatistieken". De aanhangers van de nieuwe economie verdedigen zich door te verwijzen naar meetproblemen waardoor de outputcijfers te laag zouden worden ingeschat. Verder voeren zij aan dat de doorwerking van de productiviteitseffecten van de ICT -revolutie met tijdvertragingen gepaard gaat en dat bijgevolg de genoemde effecten pas in de meest recente statistieken waarneembaar zijn. De aanhangers van de nieuwe economie stuiten op felle tegenstand van de mainstream macro-economen die hun lot verbonden lijken te hebben met de zogenaamde 'productivity slowdown', de stelling dat het huidige tijdperk zich juist onderscheidt van het voorgaande 'gouden' tijdperk door een beduidend lagere groei van de productiviteit. Hiermee ontstaat een controverse waarop vooral de economische wetenschap patent lijkt te hebben: er worden onder verwijzing naar dezelfde werkelijkheid exact tegengestelde diagnoses gesteld. Zonder al te diep in te gaan op de onderliggende problematiek zou men dit kunnen omschrijven als het gevolg van het waarnemen van een dynamische werkelijkheid door een statische bril, van perspectivische vertekening. Het probleem is dat men afhankelijk van de lengte van de periode die men analyseert tot verschillende interpretaties komt (zie kader. Voor het hier aan de orde zijnde vraagstuk komt slechts het breedste perspectief met het meest genuanceerde beeld in aanmerking. Dit is naar mijn mening het perspectief van de lange golf. Het verwijst naar de 50-jaarlijkse golfbeweging in het economisch leven die in de literatuur bekend staat als de 'Kondratiev-golf, naar de Russische econoom Nikolai Kondratiev die hiermee reeds in de jaren 20 van de 20ste eeuw zijn sporen verdiende. De lange golf vormt een kader waarbinnen de ICT -revolutie te interpreteren is op een wijze die een helder licht werpt op de discussie rond de genoemde productiviteitsparadox en de stelling dat de conjunctuurbeweging verdwenen zou zijn.


Imitatiegolf.


Het ligt voor de hand om de ICT -revolutie te interpreteren in termen van de reeds in de jaren 30 van de vorige eeuwontwikkelde langegolftheorie van Joseph Schumpeter waarin, zoals bekend, technologische revoluties een sleutelrol vervullen. In de ogen van Schumpeter voltrekt het proces van economische ontwikkeling zich in de vorm van een opeenvolging van lange cycli. Elke cyclus personifieert een grote innovatie die zich in de regel voordoet in een periode van relatieve rust aan het economische front. Innovaties, praktische toepassingen van nieuwe technologische inzichten op het productieproces, worden gedragen door de entrepreneur. Dit is een risiconemer die gedreven wordt door het vooruitzicht een technologische winst te realiseren op grond van zijn productietechnische voorsprong op de concurrenten. De blijken van succes van de innovator helpen andere ondernemers om hun weerstand tegen verandering te overwinnen. Zij imiteren de succesvolle innovatie en deze imitatiegolf brengt met zich mee dat een aanvankelijk geïsoleerde vernieuwing zich over een groter deel van de economie verspreidt. Vanwege dit imitatie-effect komen innovaties geclusterd in de tijd voor. Clustering zorgt er op zijn beurt voor dat innovaties 'groot' zijn in de zin dat ze omvangrijke spreidingseffecten hebben die tot een langdurig aanpassingsproces aanleiding geven. Dergelijke clusters van innovaties, waarvan de ICT -revolutie er één is, leiden tot een cyclisch aanpassingsproces binnen de economie. De innovator breekt als het ware in het bestaande evenwicht in de economie door de productiemiddelen in te kopen die nodig zijn om zijn innovatie gestalte te geven. Door dit te doen onttrekt hij middelen aan de 'oude' ~ sectoren en vindt er een reshuffeling van productieve bronnen plaats. De informatietechnologische impuls werkt als een tweesnijdend zwaard. Het voortbrengen van productiemiddelen ver te meer daar de productiemiddelen zelf ook met behulp van productiemiddelen worden voortgebracht die op hun beurt eerst gemaakt moeten worden. Er ontstaat op deze manier een aanzienlijke vertraging tussen het moment waarop de order voor een bepaalde productiecapaciteit de deur uitgaat en het moment waarop aflevering en feitelijke capaciteitscreatie plaatsvindt. Traag proces In de tussentijd vindt echter wel expansie van economische activiteit plaats, al was het alleen maar omdat de extra werkgelegenheid extra koopkracht genereert die extra vraag naar eindproducten en een daarvan afgeleide extra vraag naar productiemiddelen genereert. Dit betekent dat de 'nieuwe sectoren' een impuls geven aan de 'oude sectoren' waardoor deze gaan groeien. De groei van de oude sectoren leidt tot een toename van de omvang van de markt, waarvan de nieuwe sectoren hun claim op toekomstig succes afleiden en die een verdere stimulans vormt voor uitbreiding van de nieuwe sectoren. Er is een synergie tussen de nieuwe en oude sectoren waarbij de een de ander stimuleert. Zij gaan als het ware 'haasje-over' de expansieperiode door. Omdat de groei van de nieuwe sectoren de groei van de oude bevordert, neemt echter het relatieve gewicht van de nieuwe sectoren in de totale economie slechts geleidelijk toe. Passen we dit principe toe op de productiviteitsontwikkeling dan zal het positieve effect dat de groei van de productievere nieuwe sectoren hebben op de macro-economische productiviteit worden 'verdund' door het matigende effect dat uitgaat van de groei van de oude sectoren. Dit achterblijven van de macro-economische productiviteit op de productiviteitsgroei van de nieuwe sectoren brengt met zich mee dat de realisatie van de geanticipeerde versnelling van de productiviteitsgroei lang op zich laat wachten. Deze is immers behalve van de verschillen in groeivoet per sector met name afhankelijk van de snelheid waarmee het aandeel van de nieuwe sectoren in de totale economie toeneemt.
Hoe traag dit proces feitelijk verloopt, wordt geïllustreerd door het feit dat de ICT -sector een decennium na de 'technologische revolutie' pas goed is voor 5 a 8 procent van de totale output (Centraal Economisch Plan 2000). Zo ontstaat de situatie waarin het computertijdperk weliswaar oprukt maar waarin dit nog lang niet zichtbaar is in de productiviteitsstatistieken. Met andere woorden, de verklaring voor Solows productiviteitsparadox ligt in Schumpeters theorie besloten.


Bovengrenzen


Tot zover kunnen de aanhangers van de nieuwe economie tevreden zijn. Er is een voorlopige verdediging van hun positie denkbaar. Deze redding van de nieuwe economie betekent echter niet dat deze positie ook op langere termijn houdbaar is. Tot nu toe ging ik er in mijn verklaring van uit dat de nieuwe en oude sectoren als het ware haasje-over expandeerden. Dit zal echter niet altijd zo blijven. Er komt een einde aan de expansieve grondtoon van de economische ontwikkeling omdat het proces op fysieke bovengrenzen stuit. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de bovengrens van volledige werkgelegenheid. Nog geheel afgezien van mogelijke inflatoire effecten zal bij het bereiken van dit punt het trendmatige groeitempo worden teruggedrongen naar een niveau dat correspondeert met de groeivoet van het effectieve arbeidsvolume (het arbeidsvolume gecorrigeerd voor de productiviteitsontwikkeling). Op de tweede plaats gaat het daarbij om de bovengrens die bereikt wordt door overvoering van de markt. Het is bekend dat de vraageffecten van het 'haasje-over-proces' langzaam wegebben. Daar staat tegenover dat de creatie van productiecapaciteit in dit milieu juist progressief toeneemt. Er treedt zodoende overvoering op waarbij de productiecapaciteit de afzetcapaciteit overtreft. Bij het bereiken van de bovengrens wordt de economische ontwikkeling naar een lager groeipad gedwongen. Een dergelijke omslag van een expansieve naar een stagnerende grondtoon van de economische ontwikkeling is een kwantitatieve verandering die kwalitatieve repercussies heeft. De nieuwe en oude sectoren die tijdens de expansiefase van de lange golf in een win-win-situatie verkeerden, worden in een stagnerende markt elkaars concurrenten. In deze situatie van directe confrontatie hebben de nieuwe sectoren een productiviteitsvoordeel dat hen een niet meer in te halen voorsprong op de oude concurrentie geeft. De win-win-situatie slaat om in een 'I win, you loose'-situatie waarin de nieuwe sectoren terrein winnen ten koste van de oude. Het resultaat van dit crowding out-proces is een sterke stijging van de macro-economische productiviteit die vooral het resultaat is van een toename van het aandeel van de nieuwe sectoren in de totale output. Dit is het proces dat wordt aangeduid met de term 'creative destruction'. Hier worden de oude sectoren door de nieuwe verdreven. Hier treedt de langverwachte en fel begeerde acceleratie van de productiviteitsstijging op. Pas nu lost de productiviteitsparadox zich op.


Afgebrand dorp


Nu doet zich het merkwaardige fenomeen voor dat het finest hour van de aanhangers van de nieuwe economie, het moment waarop de productiviteitsparadox lijkt te zijn opgelost, tevens het 'memento mori' van de nieuwe economie is. Creative destruction betekent onder deze omstandigheden tevens 'job destruction' omdat sectoren met een lagere productiviteit en bijgevolg een hogere werkgelegenheidsquote worden verdrongen door sectoren met een lagere werkgelegenheidsquote. De werkloosheid neemt toe, de stimulans van de consumptie vervalt, de afzetgroei neemt af, malaise dient zich aan. De optimismefactor die zo belangrijk is in ~ huidige groeifase verdwijnt en de economische ontwikkeling krijgt een stagnerende ondertoon. De nieuwe economie wordt weliswaar algemeen, maar om zich heen ziend moet ze constateren dat ze slechts burgemeester van een afgebrand dorp is geworden. De euforie verdwijnt en de daaruit voortgekomen optimistische voorspellingen over een structurele verhoging van het tempo van economische groei blijken in de werkelijkheid van dat moment op drijfzand te berusten. Hiermee vervalt de eerste claim van de nieuwe economie. De vraag dringt zich nu op welke consequenties dit heeft voor de tweede claim van de aanhangers van de nieuwe economie, namelijk dat de ICT -revolutie de conjunctuurbeweging zou doen verdwijnen.
De theorie van de lange golven vat de economische werkelijkheid op als een conglomeraat waarin gelijktijdig meerdere bewegingstypen voorkomen die als het ware op elkaar gestapeld zijn. Kondratiev constateerde al in een van zijn eerste artikelen over dit onderwerp dat de lange golf verweven is met de kortere conjunctuurgolf. Die verwevenheid kwam in zijn ogen tot uitdrukking in de empirische karakteristiek dat de korte conjunctuurgolven geaccentueerd worden door de lange golf in die zin dat tijdens de opgaande fase van de lange golf de opgaande fasen van de korte conjunctuurgolven versterkt worden (en de neergaande fasen afgezwakt), terwijl in de neergaande fase het omgekeerde het geval is. Kondratiev veronderstelde daarmee impliciet dat de interactie tussen de lange golf en korte conjunctuurgolf tot gevolg heeft dat de structuur van de laatste veranderd zodanig dat de hoogconjunctuur overheerst tijdens de opgaande fasen van de lange golf en de laagconjunctuur tijdens de neergaande fase van de lange golf. Het valt echter eenvoudig in te zien dat zelfs als de structuur van de conjunctuurbeweging hetzelfde blijft, de uiterlijke verschijningsvorm ervan verandert als men haar superponeert op een langere draaggolf. Feitelijk is deze vormverandering niet meer dan een optische illusie. Het behoeft geen betoog dat het zeer wel denkbaar is dat een dergelijke optische illusie ten grondslag ligt aan het optimisme van de aanhangers van de nieuwe economie over het verdwijnen van de conjunctuur.


Feiten


Kondratievs stelling over de vorm en structuur van de conjunctuurbeweging is overigens consistent met de gangbare. conjunctuurtheorie. In diverse varianten van deze theorie behoort immers het trendmatige groeitempo tot de parameters die in hun onderlinge verhouding de vorm van de conjunctuurcyclus bepalen. De hoogte van de trendmatige groeivoet heeft in de regel een invloed op de dempingsgraad van de beweging in die zin dat de demping groter is naarmate het trendmatige groeitempo hoger is. Met ander woorden de conjuncturele schommelingen zijn klein als de trendgroei hoog is en de schommelingen zijn groot als de trendmatige groeivoet laag is. Anders gezegd: tijdens de opgaande fase van de. Kondratiev-golf zijn de conjuncturele fluctuaties mild en tijdens de neergaande fase doen zich heftige fluctuaties voor. Het is onwaarschijnlijk dat deze dynamische krachten significant aangetast worden door het dempende effect dat, door middel van zijn invloed op de voorraadbewegingen, van de ICT -revolutie uitgaat. Uit het perspectief van de langegolftheorie is zodoende de verwachting dat met het proces van creatieve destruction weliswaar de verwachtingen van de aanhangers van de nieuwe economie van een stijgende arbeidsproductiviteit bewaarheid worden, maar dat dit moment samenvalt met een ommekeer in het trendmatige groeitempo. Dit heeft op de eerste plaats tot gevolg dat de optimistische voorspellingen ten aanzien van de permanente verhoging van het groeitempo in strijd met de feiten blijken te zijn. Op de tweede plaats heeft dit tot gevolg dat vanwege de terugval in de trendmatige groei de conjunctuurbeweging zich opnieuw in zijn volle omvang zal gaan manifesteren. Hiermee zal dan ook de tweede stelling van de aanhangers van de nieuwe economie in rook opgaan. Dr. J.P.G. Reijnders is als universitair hoofddocent verbonden aan de capaciteitsgroep Economie van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Zijn wetenschappelijke werk betreft de economische dynamiek op lange termijn, de conjunctuurleer, de economische politiek en de geschiedenis van het economische denken.- Tekst bij vier figuren -


Perspectivische vertekening


Verschillen in interpretatie van de feiten blijken met name te berusten op het maken van verschillende uitsneden uit de economische geschiedenis. Het perspectief van de 'nieuwe economie' (1) komt naar voren als de uitsnede het laatste decennium van de vorige eeuw betreft. Aan het begin van de jaren 90 is er een ommekeer. Het gemiddelde groeitempo laat een stijgende lijn zien en deze observatie wordt aangevuld met de impliciete projectie van een rooskleurige toekomst met een stijgende groeitrend en met de impliciete aanname dat het groeitempo vóór 1990 nog lager lag. Het perspectief van het 'poldermodel' (2) komt naar voren als men de tijdshorizon uitbreidt met de jaren 80. De groeicijfers uit de jaren 90 worden in tenminste één geval nog overtroffen en verder lijken de slechte tijden verder naar voren te zijn geschoven. In dit geval komt de ommekeer in 1982, het jaar van het Akkoord van Wassenaar, het begin van het poldermodel. Aldus kan de groeiversnelling worden toegeschreven aan het succes van het poldermodel. Het perspectief van de 'productivity slowdown' (3) ontstaat als het raam der geschiedenis nog verder wordt opengeschoven. Dit levert het beeld op dat de macro-economen voor ogen staat als het gaat over de groeivertraging die het gevolg is van de productivity slowdown: hoge gemiddelde groei in de jaren 50 en 60, lage gemiddelde groei in de jaren 80 en 90.Het perspectief van de 'lange golf (4) ontstaat als men een continue functie door het tijdsverloop 1950-2000 trekt. De verschillende fasen gaan nu geleidelijk in elkaar over. Hierdoor ontstaat een genuanceerder beeld. De fluctuaties in de groeivoet vertonen een systematisch patroon, een lange golf waarvan de periode ongeveer 50 jaar bedraagt. Deze staat in de literatuur bekend als de zogenaamde 'Kondratiev-golf. -AG 26 -'Oude' bedrijven haken aan bij nieuwe economie. De nieuwe economie zal de oude versterken. In steeds sterkere mate zullen volgens prof. dr. Bart van Ark 'oude' bedrijven gebruik maken van door de ICT -sector geproduceerde goederen en diensten. ICT is veel verder doorgedrongen in de oude economie dan de cijfers doen vermoeden. Het verschil tussen oud en nieuw lost vanzelf op. En daarmee bestrijdt Van Ark het standpunt van dr. Jan Reijnders in de Automatisering Gids van vorige week.


Bart van Ark


Het mediageweld in Nederland van het afgelopen jaar over de opkomst van de 'nieuwe economie' heeft de gemiddelde gebruiker van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in grote verwarring achtergelaten. Doet de gemiddelde PC-bezitter die bankiert via het Internet of het zelfs al eens gewaagd heeft met z'n creditcard iets te bestellen bij Amazon.com, mee aan een ordinaire hype? Of zorgt hij er hiermee juist voor niet uitgerangeerd te raken als tweederangsburger die anders straks niet meer mee zal kunnen komen in het nieuwe informatietijdperk? Worden het in Nederland Amerikaanse toestanden, met Internet als de sleutel tot communicatie met anderen? Of raken we hopeloos achterop en wordt Nederland ( het toonbeeld van digibetisme? Ook economen zoeken driftig naar verklaringen \ voor de aan- of afwezigheid van een nieuwe economie. Het artikel van Jan Reijnders in de Automatisering Gids van vorige week (23 juni) is een goed geslaagde poging om een en ander in een handzaam 'model' te plaatsen. Het verhaal is aansprekend en goed onderbouwd, maar met de conclusie ervan kan ik niet instemmen. Waar Reijnders concludeert dat de nieuwe economie de oude uiteindelijk zal verdrijven, ben ik van mening dat de nieuwe economie de oude juist zal versterken. De integratie van de nieuwe en de oude economie zal moeten resulteren in een 'gewone' economie, die in ieder geval voor geruime tijd sneller zal kunnen groeien dan tijdens de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw het geval is geweest. Om de discussie enigszins op de rails te houden is het zinnig te proberen de nieuwe economie een kwantitatieve onderbouwing te geven. Dat dat in veel beschouwingen achterwege blijft is wel begrijpelijk. Het meten van de nieuwe economie roept nogal wat problemen op. Het Centraal Bureau voor de Statistiek beschikt niet over al te veel kant-en-klaar cijfermateriaal. Maar met wat kunst- en vliegwerk is het toch mogelijk om een redelijk betrouwbaar beeld te krijgen. Als we~r vanuit gaan dat het bij de nieuwe economie vooral gaat om het toenemend belang van ICT als dé doorbraaktechnologie van deze tijd, dan blijkt het volgende: de ICT -sector zelf behelst in Nederland (en ook elders in de wereld) minder dan 10 procent van de totale productie en werkgelegenheid. In dat opzicht heeft de nieuwe economie dus niet zoveel om het lijf. Daarentegen is de productiviteitsgroei in de ICT -sector spectaculair. Het gaat er echter vooralom wat de 'oude economie' met die producten en diensten uit de nieuwe economie doet. Nu zijn de investeringen in ICT in de afgelopen jaren snel toegenomen en deze steken zeer gunstig af bij het veel tragere gemiddelde investeringstempo.
De grote vraag blijft echter of op langere termijn ook in de oude economie een versnelling van de groei van de productiviteit kan worden behaald. Naar mijn mening zal dit sterk afhangen van de vraag of de economie en de samenleving genoeg ruimte krijgen om de voordelen van ICT in hun volle breedte te benutten.


Meten


Sommigen beargumenteren dat pogingen tot het kwantificeren van de nieuwe economie vruchteloos zijn. Er zijn inderdaad problemen met het meten van de waarde en met name de prijsveranderingen van ICT -goederen en -diensten, zoals computers, telecommunicatie, Internetsoftware en dergelijke. De prijs van een doorsnee-personal computer is bijvoorbeeld in de afgelopen jaren niet veel veranderd, maar als men dit corrigeert voor de snelle veranderingen in de capaciteit en kwaliteit van deze apparaten blijkt er sprake te zijn van grote prijsdalingen. Die kwaliteitsverbeteringen zijn door de statistici nauwelijks bij te benen, waardoor de gemeten prijzen doorgaans onvoldoende naar beneden toe zijn gecorrigeerd en de 'reële' productie van ICT -goederen is onderschat. Bovendien is de productie van bedrijfstakken die bij uitstek kunnen worden aangemerkt als grote gebruikers van ICT, zoals de financiële en zakelijke dienstverlening, 'ook nog eens lastig te meten. Dat laatste draagt meestal bij tot een verdere onderschatting van de groei, maar soms ook tot een overschatting. Bijvoorbeeld, de introductie van ICT bij luchtvaartmaatschappijen heeft zonder twijfel bijgedragen tot een efficiëntere afhandeling van passagiers en bagage. Echter, de bekende ervaringen van overvolle vliegvelden en vliegtuigen, vertragingen en slechte dienstverlening hebben tenminste voor de consument tot een beperkte meerwaarde geleid. Hoe dan ook, een ruwe schatting suggereert dat omstreeks i 25 procent van de gemeten vertraging in de productiviteitsgroei in Nederland sinds het midden van de jaren tachtig te wijten is aan dit soort meetproblemen. Dit betekent dat de groei van de arbeidsproductiviteit in Nederland sinds 1985 dus niet met slechts 1,8 procent zou zijn gegroeid, maar met wellicht 2, 1 procent. Correcties voor meetproblemen leiden dus niet tot een spectaculair hogere productie- en productiviteitsgroei. Overigens zitten de statistici ook niet stil. Veel van de hierboven genoemde problemen zijn oplosbaar en deels al opgelost. Zo heeft er recentelijk in de Nederlandse nationale rekeningen een aanpassing plaatsgevonden voor de meting van de productie van banken, die vervolgens heeft geleid tot een flinke opwaartse correctie van de gemiddelde jaarlijkse productiviteitsgroei i.n die bedrijfstak van enkele procent-punten. De ICT -producerende sector is klein, maar de uitgaven aan ICT -goederen en -diensten nemen snel toe. Afhankelijk van wat men precies meetelt, is het aandeel van ICT -industrieën en -diensten in de totale productie in Nederland toegenomen van zo'n 4 a 6 procent rond het midden van de jaren tachtig tot zo'n 5 a 8 procent aan het einde van de jaren negentig. (Onder ICT -industrieën vallen kantoormachines en computers, overige elektrische machines, audio-, video- en telecommunicatieapparatuur en medische, meet- en regelapparatuur. Onder ICT -diensten vallen telecommunicatie- (inclusief post) en computerdiensten.) Dat lijkt weinig, maar deze industrieën zijn gezamenlijk wel verantwoordelijk voor zo'n kleine 20 procent van de groei van het bruto binnenlands product in Nederland sinds 1995.Belangrijker is dat de bedrijven in de oude economie in steeds sterkere mate gebruik beginnen te maken van de door de ICT -sector geproduceerde goederen en diensten. Recente schattingen door het Centraal Planbureau tonen aan dat het aandeel van ICT in de investeringen v9n bedrijven in de marktsector sterk is toegenomen tot rond 20 procent. ICT is dus veel verder doorgedrongen in de economie, inclusief de oude economie, dan de cijfers omtrent productieaandelen suggereren.


Klaagzangen


Door sommigen wordt beweerd dat Nederland echter ver achterop loopt bij het buitenland. Met name de 'high-tech'-sector zou in Nederland niet veel voorstellen. Bovendien zou de combinatie van een loonmatigingsbeleid en de lakse rol van de overheid het gebruik van ICT niet stimuleren. Cijfers van de OESO laten echter een heel ander beeld zien. Zo lagen de uitgaven aan ICT als percentage van het bruto binnenlands product in Nederland op 7 procent in 1997, hetgeen aanzienlijk hoger is dan het gemiddelde van 5,9 procent voor de hele Europese Unie en niet veel lager dan de 7,8 procent in de Verenigde Staten. In 1996 had al 43 procent van de Nederlandse huishoudens een PC, hetgeen gunstig afsteekt tegen de 37 procent in de VS. En ook als we kijken naar de totale voorraad aan ICT -kapitaalgoederen doen we het niet slecht: een vergelijking van CPB en OESO-cijfers laat zien dat in 1996 de Nederlandse kapitaalgoederenvoorraad in ICT 6, 75 procent uitmaakte van alle opgestelde machines en gebouwen, hetgeen iets lager was dan in de Verenigde Staten (7,5 procent), maar aanzienlijk hoger dan in Engeland, Duitsland, Frankrijk of Japan. De voortdurende klaagzangen van Maurice de Hond zijn dus eerder van toepassing op de ons omringende landen dan op Nederland.Op het eerste gezicht lijken deze cijfers het beeld van een opwaartse cyclus in een nieuwe technologiegolf, is beschreven door Reijnders in het vorige nummer van Automatisering Gi s, aardig te ondersteunen. In de opgaande fase van zo'n nieuwe golf trekken de nieuwe bedrijven de oude mee en zorgen ze gezamenlijk voor een sterke uitbreiding van de productie. Tevens verwacht men volgens deze theorie een trage ontwikkeling van de productiviteit tijdens de opgaande fase, omdat de oude economie geen productiviteitsgroei genereert en, vanwege haar rol in de productieuitbreiding, maar weinig terrein prijsgeeft aan de nieuwe economie. Het is inderdaad waar dat de Nederlandse economie al jaren met een flinke productiviteitsvertraging te kampen heeft. Bovendien wordt een gedeelte van die groei in de arbeidsproductiviteit nog voortgebracht door investeringen in kapitaalgoederen in plaats van door een. efficiënter gebruik van die kapitaalgoederen. De totale factor productiviteit (dat wil zeggen de groei van productie gecorrigeerd voor de toename in arbeid en kapitaalgoederen) nam daardoor met niet meer dan 1 procent toe sinds het einde van de jaren tachtig.


Kritiek


Ook al lijken bovenstaande cijfers een opgaande lijn in de technologiegolf dus redelijk te kunnen beschrijven, toch valt hierop nog wel het een en ander af te dingen. De oorzaken van de productiviteitsvertraging hoeven namelijk niet direct aan de technologiegolf te worden gerelateerd. Zo is de tragere groei veelalook toegeschreven aan de loonmatigingsgolf die is ingezet met het Akkoord van Wassenaar aan het begin van de jaren tachtig. Loonmatiging zou hebben geleid tot een verschuiving van arbeidsdeelname van hoog- naar laaggeschoolde arbeid en van hoog- naar laagproductieve dienstensectoren. Sommigen, zoals de econoom Kleinknecht van Technische Universiteit Delft, beweren dat die loonmatiging een directe negatieve invloed heeft gehad op het innovatietempo in Nederland.Zoals hiervoor reeds gemeld kan deze stelling, kijkend naar de recente productiviteitsversnelling in ICT -goederen en -diensten, niet overeind gehouden worden. Maar belangrijker is dat de meest recente cijfers nu ook een productiviteitsversnelling laten zien voor typisch ICT -gebruikende dienstensectoren uit de oude economie, zoals bijvoorbeeld de autohandel, groothandel en sommige bedrijfstakken in de transportsector, zoals transport van goederen over water. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat, volgend op de snelle productiegroei in deze bedrijfstakken, er nu een herschikking van bedrijven en een versterking van de concurrentiepositie plaatsvindt die productiviteitsverhogend werkt. Dit betekent dus niet dat de oude economie door de nieuwe wordt verdreven, zoals in Reijnders' model van technologiegolven, maar dat deze juist wordt versterkt door het beschikbaar komen van nieuwe technologieën. Recente studies van innovatiegedrag van bedrijven in de dienstensector laten inderdaad een beeld zien van een hoge mate van vernieuwing in producten en diensten, welke gepaard gaat met een hoge introductiegraad van informatie- en communicatietechnologie. Zo blijkt bijvoorbeeld dat in 1996 innovatieve bedrijven in de dienstensector gemiddeld evenveel uitgaven aan ICT als bedrijven in de industrie, ook al zijn er grote verschillen tussen de bedrijfstakken. Een ander kritiekpunt op het model van de technologiegolf is dat de neerwaartse fase wordt ingeluid door het feit dat het productieproces op fysieke bovengrenzen stuit. Een aanhanger van de nieuwe economie zou beargumenteren dat de beschikbaarheid van traditionele productiefactoren zoals machines, infrastructuur en misschien zelfs menselijk kapitaal, nu juist door de nieuwe informatie- en communicatietechnologie een minder beperkende factor is geworden.


Tweedeling


Alle bovengenoemde cijfers hebben één gemeenschappelijke tekortkoming: de periode waarover we deze kunnen analyseren is te kort. Het is pas sinds hooguit een decennium dat ICT een daadwerkelijke invloed op de macro-economische cijfers begint te laten zien. Dat is overigens ook normaal bij een doorbraaktechnologie. Bij de introductie van elektriciteit rond de vorige eeuwwisseling heeft het ook drie tot vier decennia geduurd voordat de effecten op macro-economisch niveau zichtbaar werden. Het is daarom begrijpelijk dat we veelal naar de Verenigde Staten kijken, die in dit opzicht zo'n vijftal jaren op ons voorlopen, om ons een voorstelling te maken van wat de effecten van ICT op onze economie zouden kunnen zijn. Er duiken dan behalve positieve vooralook veel negatieve beelden op. Zo zou de Amerikaanse situatie laten zien dat de toepassing van ICT -technologie de inkomens van hoogopgeleiden opdrijven in vergelijking tot die van laagopgeleiden, waardoor een ongewenste maatschappelijke tweedeling ontstaat. Het is inderdaad zo dat er in de Verenigde Staten sprake is van een toename in de inkomensongelijkheid. Dat kan echter even goed samenhangen met karakteristieken van de Amerikaanse arbeidsmarkt die met technologie niet veel uit te staan hebben, zoals bijvoorbeeld een zwak ontwikkeld sociaal zekerheidsstelsel. Bovendien zou men juist van de netwerkeffecten van ICT mogen verwachten dat ook laagopgeleiden ervan kunnen profiteren vanwege de grotere gebruiksvriendelijkheid waarmee de netwerkeffecten gepaard gaan. Het grote gevaar voor veel Europese landen, inclusief (nog steeds) Nederland, is dat een gebrek aan flexibiliteit in de product- en arbeidsmarkt er juist toe zou kunnen leiden dat deze positieve effecten van ICT voor laagopgeleiden niet worden gegenereerd.


Creative destruction


Structurele hervormingen van de markten voor arbeid, kapitaal en goederen en diensten zijn dan ook gewenst om de potentiële productiviteitseffecten van ICT ten volle te kunnen benutten. Dat gaat veelal gepaard met grote herschikkingen van economische activiteiten. Zo vertegenwoordigen de snelle bewegingen in de koersen van technologiefondsen. Tenminste voor een deel het risicovolle karakter van deze nieuwe activiteiten. Er zijn nu eenmaal veel 'losers' en maar weinig 'winners' in de nieuwe economie, en positieve en negatieve verwachtingen ten aanzien van het succes van bedrijven in deze sector wisselen elkaar snel af. Het argument dat 'nieuwe economie'-bedrijven geen winst hoeven te maken is natuurlijk onzin. Op lange termijn zal productiviteit en winstgevendheid hét selectiecriterium voor blijvers en afvallers zijn. Op kortere termijn kan dit echter niet zo gemakkelijk worden gesteld. Starten is in deze wereld makkelijk maar 'blijven' vereist voortdurende vernieuwing en herschikking van activiteiten. De herschikkingen zijn overigens een belangrijke reden voor de voortdurende reeks overnames en fusies, niet alleen binnen de ICT -sector maar vooralook tussen nieuwe en oude bedrijven in de economie. Dat leidt vaak tot ontslagen, herplaatsingen en weinig productiviteitsgroei op korte termijn. Die dynamiek is echter noodzakelijk om op lange termijn het verschil tussen de nieuwe en oude economie te doen laten verdwijnen. In navolging van Schumpeter noemt Reijnders een dergelijke dynamiek 'creative destruction'. Echter, door het toe te passen op sectoren in plaats van bedrijven mist hij het belangrijkste punt: door 'creative destruction' verdwijnen bedrijven die niet succesvol zijn in het toepassen van de nieuwe technologie. Hierdoor zal het verschil tussen de oude en nieuwe economie na verloop van tijd vanzelf oplossen, en bevindt de economie zich op een nieuw traject van productiviteitsgroei waarvan men meerdere decennia kan profiteren. Prof. dr. Bart van Ark is als hoogleraar 'Economie van productiviteit en technonologiebeleid' verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Waarop de productiviteitsparadox lijkt te zijn opgelost, schreef dr. Jan Reijnders twee weken geleden in Automatisering Gids, is tevens het 'memento mori' van de nieuwe economie. Prof. dr. Bart van Ark stelde daar vorige week tegenover dat het verschil tussen de oude en nieuwe economie vanzelf oplost. 'ICT is veel verder doorgedrongen in de oude economie dan de cijfers doen vermoeden.' Vandaag de reactie van prof. dr. Luc Soete.Luc Soete. Dr. Jan Reijnders stelt in zijn betoog in de Automatisering Gids van 23 juni dat de langegolftheorie een geschikter kader biedt om de huidige, historisch ongeëvenaarde, periode van hoogconjunctuur in de Verenigde Staten -en tegenwoordig ook in Nederland -te verklaren dan de populaire verklaring van de opkomst van een nieuwe economie. Beide visies zoeken in de spreiding en toepassing van nieuwe informatie- en communicatietechnologie (ICT) de voornaamste verklaring voor de huidige opleving van economische groei. In deze zin vinden beide theorieën zich dan ook. Maar in de langegolfvisie van Reijnders moet er hoe dan ook een einde komen aan de groei-impuls van ICT: de expansieve groei stoot automatisch na een zekere periode tegen 'fysieke bovengrenzen' aan, zoals volledige werkgelegenheid en wat hij de 'overvoering van de markt' noemt. Als gevolg hiervan zal dan ook een tendens tot overcapaciteit ontstaan, gepaard gaande met de 'creatieve destructie' van oude sectoren en uiteindelijk ook een algemene toename in productiviteitsstijging. Prima, zou u denken, maar niet in Reijnders' langegolfvisie. De algemene toename in productiviteitsstijging. vertegenwoordigt alles behalve de doorbraak van de 'nieuwe' sectoren maar is, in Reijnders' woorden, eerder "het memento mori van de nieuwe economie. De nieuwe economie wordt weliswaar algemeen, maar om zich heen ziend moet ze constateren dat ze slechts de burgemeester van een afgebrand dorp is geworden."En 'zo drijft de euforie van de nieuwe economie uiteindelijk op drijfzand. Alvorens dieper in te gaan op Reijnders' analyse, wil ik kort mijn eigen positie ten opzichte van de langegolftheorie toelichten. Gelovigen
Zo'n twintig jaar geleden was ook ik gefascineerd door het fenomeen van lange golven in de economie, de zogenaamde Kondratievs, regelmatig weerkerende 50-jaarlijkse cycli van voorspoed en neergang die volgens de Russische statisticus kenmerkend zouden zijn voor onze westerse economieën sinds de industriële revolutie. Althans, zo beweerde de eind jaren '30 vermoorde Nikolai Kondratiev in 1928.De eerste lange golf dateerde in Kondratievs visie van grofweg 1790 tot 1840, de tweede van 1840 tot 1890 en de derde begon in 1890. De 'grote' recessie van begin jaren '30 was vanuit Kondratievs visie de aanzet voor een nieuwe vierde lange golf die zou lopen van 1940 tot 1990. Kondratiev stond niet alleen in zijn zoektocht naar regelmaat in economische trends. In Nederland publiceerde ook Tinbergen over langetermijncycli. Na de tweede wereldoorlog bleven tot het midden van de jaren '60 theorieën over conjunctuurcycli, of ze nu van korte of lange duur waren, populair in de economische wetenschap, vooral in België en Nederland. Maar de lange periode van naoorlogse wederopbouw duwde theorieën over langetermijngolven enigszins naar de achtergrond.De economische crisis van eind jaren '70 was echter voor veel wat meer kritische economen de aanleiding om te zoeken naar nieuwe verklaringen voor het plotselinge einde van de dertig jaren van naoorlogse economische voorspoed. De dominante macro-economische visie hield het op olieschokeffecten. Eenmaal verdisconteerd zouden economische groei en volledige werkgelegenheid snel terugkeren. Met enkele Britse collega's, ik werkte toen in Engeland, werden de oude theorieën over lange golven die oorspronkelijk door de Nederlander Van Gelderen ontwikkeld werden in 1913, uit de kast gehaald, om de snelle toename in werkloosheid te verklaren. Vele artikelen, en zelfs een boek, werden geschreven. In Nederland was toen Jaap van Duijn bezig met zijn magnum opus, in Duitsland Alfred Kleinknecht. Het was een snel uitdijend clubje van langegolfaanhangers. Lange golven in de economie, zo bleek al snel, ook al kon het empirische bewijs gevonden worden voor veellanden, was iets om in te geloven. Voor mij was het meest sluitende bewijs het feit dat bijna vijftig jaar na Kondratievs bijdrage, de recessie van 1982 precies paste in het plaatje dat Kondratiev geschetst had. Jaap van Duijn, nu topman bij Robeco, was ongetwijfeld de meest gelovige en durfde zelfs op de achterkant van zijn boek te voorspellen dat er pas sprake zou zijn van een nieuwe hoogconjunctuur in 1992. Wij, met reeds drie jaar Thatcher-bezuinigingen achter de kiezen, konden zo'n deterministisch pessimisme niet verkroppen. Trouwens wat had het beleid nog te vertellen, als de economie zich zo strak aan een schier mechanisch patroon van eb en vloed zou houden en we het nog eens tien jaar zouden moeten uitzitten voordat er sprake kon zijn van een nieuwe periode van hoogconjunctuur?


Elektriciteit


Zoals die van Van Duyn en Kleinknecht richtte onze analyse zich ook expliciet op mogelijke verklaringen van lange golven die verband hielden met de ontdekking en spreiding van clusters van nieuwe technologieën. Terwijl ontdekkingen zich min of meer per toeval zouden voordoen, vond de economische toepassing en diffusie van deze technologieën plaats volgens een meer endogeen proces van Schumpeteriaanse creatieve destructie. Landen, bedrijven, werknemers die zich niet konden of wilden aanpassen, zagen zich gepasseerd door nieuwkomers die zich sneller en gemakkelijker konden aanpassen aan de nieuwe technologie. De wet van de remmende voorsprong indachtig kon gesteld worden dat technologisch leidinggevende landen of bedrijven het vanuit dit perspectief het moeilijkst zouden hebben. Bestaande bedrijven die groot geworden waren dankzij de oude technologie konden zelfs over de kop gaan. De jaren '80 waren, vanuit dit oogpunt, jaren van moeizame structurele aanpassing aan de opkomende informatietechnologie. Dit aanpassingsproces was praktisch per definitie een langzaam proces omdat de technologie nog in volle ontwikkeling was en er geen blueprint voor de beste organisatievorm geschetst kon worden. Japan werd vanuit dit oogpunt dikwijls afgeschilderd als de nieuwe technologische wereldleider. De nieuwe technologie liet ook tal van toepassingsmogelijkheden toe al naar gelang de sector van activiteiten, de grootte van de onderneming, de kennis van werknemers. De vergelijking werd gemaakt met de verspreiding van elektriciteit begin deze eeuwen het langzame leerproces dat uiteindelijk leidde tot de radicale, organisatorische doorbraak van individuele elektriciteitsaandrijving. Voordien bestond de toepassing van elektriciteit vooral in de rechtstreekse vervanging van centraal aangedreven stoommachines. Oud en nieuw Nu, eind jaren '90, zoals door Reijnders aangetoond, lijken veel van deze inzichten opmerkelijk goed te passen in het idee van de opkomst van een vijfde Kondratiev-golf begin jaren '90. Een periode van langdurige hoogconjunctuur vooral gebaseerd op de spreiding van informatie- en communicatietechnologie, zoals Internet, waarvan de productiviteitsstijgingen zich nu pas echt beginnen te manifesteren. In deze visie zou de periode van hoogconjunctuur nog zeker tien a vijftien jaar duren. Dan komt de onvermijdelijke neergang. Hoe aantrekkelijk ook en hoe op het eerste gezicht historisch sluitend, de langegolfvisie blijft iets voor gelovigen. Veel van de huidige ontwikkelingen passen trouwens helemaal niet in het schema dat door Reijnders wordt geschetst. Eerst en vooral lijkt het oude sectorale onderscheid dat Reijnders maakt tussen oude en nieuwe sectoren vandaag niet langer te passen in het schema van oud en nieuw van de nieuwe economie. Op dit ogenblik zijn het bijvoorbeeld voornamelijk 'oude' sectoren die een stijging laten zien in productiviteitsgroei en winst als gevolg van de toepassing van ICT.De echt 'nieuwe' ICT -sectoren daarentegen worden eerder gekarakteriseerd door groei op nieuwe netwerkmarkten en zware verliezen. De zeer hoge koerswinst-verhouding van nieuwe dot.com-bedrijven wordt slechts gerechtvaardigd door de (irreële) verwachting van beleggers dat deze bedrijven in de toekomst gigantische winsten zullen realiseren. Vanuit dit perspectief lijkt de huidige periode eerder op de 'tulipomania' of andere periodes van speculaties aan de vooravond van een grote depressie. Dat is trouwens ook de stelling van andere langegolfgelovigen, zoals Christopher Freeman en Andrew Tylecote. Het is dan ook onduidelijk uit Reijnders' betoog waar we ons nu precies bevinden op de lange golf: aan de vooravond van een depressie of aan de vooravond van de piek? Wat mijns inziens op dit ogenblik speelt, lijkt eerder het omgekeerde van wat Reijnders beweert: de productiviteitsgroei en verwachte arbeidsuitstoot in 'oude' sectoren (zoals banken en verzekeringen) biedt 'nieuwe' sectoren meer koop- en arbeidskracht zodat de fysieke groeibeperkingen omwille van arbeidsmarkttekorten nu juist niet optreden.
Daarom bijvoorbeeld reageren Amerikaanse beleggers steeds weer zo positief als zij horen dat de werkgelegenheidsgroei in de VS lager is geweest dan verwacht en de productiviteitsstijging hoger.


Mechanisch


Een tweede factor die vragen oproept met betrekking tot de langegolftheorie is de veronderstelling dat steeds weer dezelfde, identieke, tijdvertragingsfactoren zich voordoen in het opbouwen van productiecapaciteit in elke lange golf, nu dan met betrekking tot de cluster van nieuwe ICT. Dit was oorspronkelijk de voornaamste factor in Kondratievs verklaring voor het verschijnsel van lange golven. Kondratiev dacht hierbij vooral aan infrastructurele investeringen. Het vandaag aanleggen van telecominfrastructuur (mobiel of vast) vergt echter zeker niet dezelfde lange tijdsperiode kenmerkend voor vorige Kondratievs. In de nieuwe economie bevinden zich trouwens veel van de nieuwe en oude sectoren in het dienstengedeelte van de economie, waarin immateriële goederen en diensten geproduceerd en gedistribueerd worden. De schaarste, prijs en tijdsfricties die optreden als gevolg van plotselinge sterke groei zijn van een totaal andere orde dan in het geval van spoorwegen, staalfabrieken of elektriciteitscentrales. Juist ICT -toepassingen bieden mogelijkheden tot het verminderen van voorraadbeheer en het beter doen aansluiten van vraag op aanbod. Kortom, historische vergelijkingen zoals binnen het kader van de langegolftheorie, bieden onschatbare inzichten in het belang van institutionele 'mismatchen' en andere rigiditeiten en starheden die de spreiding van nieuwe technologie vertragen. Op dit ogenblik bijvoorbeeld kan dit ongetwijfeld in belangrijke mate verklaren waarom productiviteitsstijgingen dankzij toenemend gebruik van ICT, meetproblemen daar gelaten, zich zo traag en moeizaam lijken voor te doen. Dit heeft alles te maken met het moeizaam zoeken naar de precieze organisatorische inbedding van een algemeen toepasbare technologie zoals ICT. Wat in de banksector optimaal werkte in het geval van backoffice-actviteiten, zal dat mogelijk helemaal niet zijn in het geval van Internet-bankieren.Maar historische vergelijkingen kunnen ook helemaal verkeerde inzichten verschaffen. Men plukt als het ware uit historisch materiaal die feiten die goed lijken te passen in de huidige economische ontwikkelingen. Wat Internet, ICT en de huidige macro-economische ontwikkelingen tegenwoordig kenmerken (immaterieel, tijd- en v afstandoverbruggend, wereldomvattend) is historisch zo uniek, dat op geaggregeerd macro-niveau een mechanische langegolfvisie hier uiteindelijk nog weinig inzicht kan verschaffen. Tenzij, ja tenzij men gelooft dat onze wereld omwille van een of andere fysische reden (sunspots, klimaatveranderingen) volgens een mechanische regelmaat van eb en vloed aangedreven zou worden. En dat weiger ik te geloven. Prof. dr. Luc Soete is als hoogleraar Internationale Economie verbonden aan de faculteit der Economische wetenschappen en Bedrijfskunde van Universiteit Maastricht.- Kader -


Terminologische verwarring


Reactie van Jan Reijnders op Bart van Ark en Luc Soete. Om misverstanden te voorkomen heb ik in mijn artikel (Automatisering Gids van 23 juni) de termen 'oude economie' en 'nieuwe economie' vermeden omdat in het standaardgebruik de 'nieuwe economie' uitsluitend met de ICT -sector wordt geassocieerd en de 'oude economie' met de resterende traditionele sectoren. In plaats daarvan maak ik een onderscheid tussen 'nieuwe sectoren' -zijnde de ICT -sector zelf plus die delen van de 'oude' economie die bijtijds hun productieproces aanpassen aan de 'state of the art' van ICT -toepassingen die relevant zijn voor de betreffende branche -en 'oude sectoren', dat zijn die delen van de 'oude' economie die hun productieproces niet of niet tijdig aan de nieuwe technologie hebben aangepast. Klaarblijkelijk heb ik dit onvoldoende duidelijk gemaakt en is deze nuance zowel Bart van Ark als Luc Soete ontgaan. Opheffing van deze terminologische verwarring zou er mijns inziens toe leiden dat Van Arks standpunt dicht in de buurt van het mijne komt te liggen en dat ook een belangrijk deel van Soetes onrust wordt weggenomen. De felheid van de reactie van Soete, waarin hij me afschildert als een gelovige die het dogma verbreidt dat het economisch leven gedreven wordt door de mechanische regelmaat van een natuurwet, verbaast me enigszins. Mijn intentie was slechts inzicht te verschaffen in het tijdelijke verloop van het aanpassingsproces waarmee de economie een technologische schok absorbeert. Ik dacht hem en andere protagonisten van de 'nieuwe economie' juist een dienst te bewijzen door een verklaring te vinden voor de productiviteitsparadox, die hen nog steeds in verlegenheid brengt, en door een domper te zetten op de doldwaze groei-euforie rond de 'nieuwe economie', die hun reputatie dreigt te schaden.



Andere Publicaties              Beginscherm