Over het effect van informatie- en communicatretechnologie op de economie zijn
de economen het niet eens. Is er sprake van een productiviteitsgroei of juist
niet? Is de ICT -revolutie het begin of de ondergang van de nieuwe economie?
Volgens Jan Reijnders zijn de antwoorden vaak gekleurd door de lengte van de
periode die men analyseert. Er is sprake van een perspectivische vertekening. Jan
Reijnders De directe aanleiding tot het debat rond de 'nieuwe economie' vormt
de aanhoudend gunstige economische. Ontwikkeling in met name de Verenigde
Staten. Het is gebruikelijk om deze gang van zaken ook van toepassing te
verklaren op Nederland, het 'Amerika aan de Noordzee', dat geacht wordt een
soortgelijke ontwikkeling door te maken. Sinds de conjuncturele omslag in het
begin van de jaren 90 groeit de economie onafgebroken met tenminste twee
percent per jaar (drie percent voor de USA). De werkgelegenheid neemt in rap
tempo toe zonder noemenswaardige.-effecten op het inflatietempo. Aanhangers van
de nieuwe economie schrijven deze gunstige ontwikkeling voornamelijk toe aan de
revolutie in de informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het daarmee
gepaard gaande proces van globalisering. De productiviteitseffecten van de ICT
-revolutie en de globale tucht van de markt dragen zorg voor een gematigde
prijsontwikkeling. Zij zorgen ervoor dat de traditionele snelheidsbegrenzers
van de economie niet langer werken waardoor ook de conjunctuurbeweging tot het
verleden gaat behoren. Zowel de claim dat we een periode van ononderbroken hoge
economische groei tegemoet gaan als de stelling dat de conjunctuurbeweging zal
verdwijnen, zijn uiterst controversieel. Wat het eerste betreft is de steen des
aanstoots dat de veronderstelde effecten op de ontwikkeling van de
productiviteit niet, of slechts met zeer veel fantasie, uit de
macro-economische productiviteitscijfers zijn af te lezen. Wat dit betreft
lijkt Solows productiviteitsparadox op te gaan: Je kunt het
computertijdperk overal zien behalve in de productiviteitsstatistieken". De
aanhangers van de nieuwe economie verdedigen zich door te verwijzen naar
meetproblemen waardoor de outputcijfers te laag zouden worden ingeschat. Verder
voeren zij aan dat de doorwerking van de productiviteitseffecten van de ICT
-revolutie met tijdvertragingen gepaard gaat en dat bijgevolg de genoemde
effecten pas in de meest recente statistieken waarneembaar zijn. De aanhangers
van de nieuwe economie stuiten op felle tegenstand van de mainstream
macro-economen die hun lot verbonden lijken te hebben met de zogenaamde 'productivity
slowdown', de stelling dat het huidige tijdperk zich juist onderscheidt van het
voorgaande 'gouden' tijdperk door een beduidend lagere groei van de
productiviteit. Hiermee ontstaat een controverse waarop vooral de economische
wetenschap patent lijkt te hebben: er worden onder verwijzing naar dezelfde
werkelijkheid exact tegengestelde diagnoses gesteld. Zonder al te diep in te
gaan op de onderliggende problematiek zou men dit kunnen omschrijven als het
gevolg van het waarnemen van een dynamische werkelijkheid door een statische
bril, van perspectivische vertekening. Het probleem is dat men afhankelijk van
de lengte van de periode die men analyseert tot verschillende interpretaties
komt (zie kader. Voor het hier aan de orde zijnde vraagstuk komt slechts het
breedste perspectief met het meest genuanceerde beeld in aanmerking.
Dit is naar mijn mening het perspectief van de lange golf. Het verwijst naar de
50-jaarlijkse golfbeweging in het economisch leven die in de literatuur bekend
staat als de 'Kondratiev-golf, naar de Russische econoom Nikolai Kondratiev die
hiermee reeds in de jaren 20 van de 20ste eeuw zijn sporen verdiende. De lange
golf vormt een kader waarbinnen de ICT -revolutie te interpreteren is op een
wijze die een helder licht werpt op de discussie rond de genoemde
productiviteitsparadox en de stelling dat de conjunctuurbeweging verdwenen zou
zijn.
Imitatiegolf.
Het ligt voor de hand om de ICT -revolutie te
interpreteren in termen van de reeds in de jaren 30 van de vorige
eeuwontwikkelde langegolftheorie van Joseph Schumpeter waarin, zoals bekend,
technologische revoluties een sleutelrol vervullen. In de ogen van Schumpeter
voltrekt het proces van economische ontwikkeling zich in de vorm van een
opeenvolging van lange cycli. Elke cyclus personifieert een grote innovatie die
zich in de regel voordoet in een periode van relatieve rust aan het economische
front. Innovaties, praktische toepassingen van nieuwe technologische inzichten
op het productieproces, worden gedragen door de entrepreneur. Dit is een
risiconemer die gedreven wordt door het vooruitzicht een technologische winst
te realiseren op grond van zijn productietechnische voorsprong op de
concurrenten. De blijken van succes van de innovator helpen andere ondernemers
om hun weerstand tegen verandering te overwinnen. Zij imiteren de succesvolle
innovatie en deze imitatiegolf brengt met zich mee dat een aanvankelijk
geïsoleerde vernieuwing zich over een groter deel van de economie verspreidt.
Vanwege dit imitatie-effect komen innovaties geclusterd in de tijd voor.
Clustering zorgt er op zijn beurt voor dat innovaties 'groot' zijn in de zin
dat ze omvangrijke spreidingseffecten hebben die tot een langdurig
aanpassingsproces aanleiding geven. Dergelijke clusters van innovaties, waarvan
de ICT -revolutie er één is, leiden tot een cyclisch aanpassingsproces binnen
de economie. De innovator breekt als het ware in het bestaande evenwicht in de
economie door de productiemiddelen in te kopen die nodig zijn om zijn innovatie
gestalte te geven. Door dit te doen onttrekt hij middelen aan de 'oude' ~
sectoren en vindt er een reshuffeling van productieve bronnen plaats. De informatietechnologische
impuls werkt als een tweesnijdend zwaard. Het voortbrengen van productiemiddelen ver te meer daar de
productiemiddelen zelf ook met behulp van productiemiddelen worden
voortgebracht die op hun beurt eerst gemaakt moeten worden. Er ontstaat op deze
manier een aanzienlijke vertraging tussen het moment waarop de order voor een
bepaalde productiecapaciteit de deur
uitgaat en het moment waarop aflevering en feitelijke capaciteitscreatie
plaatsvindt. Traag proces In de tussentijd vindt echter wel expansie van
economische activiteit plaats, al was het alleen maar omdat de extra
werkgelegenheid extra koopkracht genereert die extra vraag naar eindproducten
en een daarvan afgeleide extra vraag naar productiemiddelen genereert. Dit
betekent dat de 'nieuwe sectoren' een impuls geven aan de 'oude sectoren'
waardoor deze gaan groeien. De groei van de oude sectoren leidt tot een toename
van de omvang van de markt, waarvan de nieuwe sectoren hun claim op toekomstig
succes afleiden en die een verdere stimulans vormt voor uitbreiding van de
nieuwe sectoren. Er is een synergie tussen de nieuwe en oude sectoren waarbij
de een de ander stimuleert. Zij gaan als het ware 'haasje-over' de
expansieperiode door. Omdat de groei van de nieuwe sectoren de groei van de
oude bevordert, neemt echter het relatieve gewicht van de nieuwe sectoren in de
totale economie slechts geleidelijk toe. Passen we dit principe toe op de
productiviteitsontwikkeling dan zal het positieve effect dat de groei van de
productievere nieuwe sectoren hebben op de macro-economische productiviteit
worden 'verdund' door het matigende effect dat uitgaat van de groei van de oude
sectoren. Dit achterblijven van de macro-economische productiviteit op de
productiviteitsgroei van de nieuwe sectoren brengt met zich mee dat de
realisatie van de geanticipeerde versnelling van de productiviteitsgroei lang
op zich laat wachten. Deze is immers behalve van de verschillen in groeivoet
per sector met name afhankelijk van de snelheid waarmee het aandeel van de
nieuwe sectoren in de totale economie toeneemt.
Hoe traag dit proces feitelijk verloopt, wordt geïllustreerd door het feit dat
de ICT -sector een decennium na de 'technologische revolutie' pas goed is voor
5 a 8 procent van de totale output (Centraal Economisch Plan 2000). Zo ontstaat
de situatie waarin het computertijdperk weliswaar oprukt maar waarin dit nog
lang niet zichtbaar is in de productiviteitsstatistieken. Met andere woorden,
de verklaring voor Solows productiviteitsparadox ligt in Schumpeters theorie
besloten.
Bovengrenzen
Tot zover kunnen de aanhangers van de nieuwe
economie tevreden zijn. Er is een voorlopige verdediging van hun positie
denkbaar. Deze redding van de nieuwe economie betekent echter niet dat deze
positie ook op langere termijn houdbaar is. Tot nu toe ging ik er in mijn
verklaring van uit dat de nieuwe en oude sectoren als het ware haasje-over
expandeerden. Dit zal echter niet altijd zo blijven. Er komt een einde aan de
expansieve grondtoon van de economische ontwikkeling omdat het proces op
fysieke bovengrenzen stuit. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de
bovengrens van volledige werkgelegenheid. Nog geheel afgezien van mogelijke
inflatoire effecten zal bij het bereiken van dit punt het trendmatige
groeitempo worden teruggedrongen naar een niveau dat correspondeert met de
groeivoet van het effectieve arbeidsvolume (het arbeidsvolume gecorrigeerd voor
de productiviteitsontwikkeling). Op de tweede plaats gaat het daarbij om de
bovengrens die bereikt wordt door overvoering van de markt. Het is bekend dat
de vraageffecten van het 'haasje-over-proces' langzaam wegebben. Daar staat
tegenover dat de creatie van productiecapaciteit in dit milieu juist
progressief toeneemt. Er treedt zodoende overvoering op waarbij de productiecapaciteit
de afzetcapaciteit overtreft. Bij het bereiken van de bovengrens wordt de
economische ontwikkeling naar een lager groeipad gedwongen. Een dergelijke
omslag van een expansieve naar een stagnerende grondtoon van de economische
ontwikkeling is een kwantitatieve verandering die kwalitatieve repercussies
heeft. De nieuwe en oude sectoren die tijdens de expansiefase van de lange golf
in een win-win-situatie verkeerden, worden in een stagnerende markt elkaars
concurrenten. In deze situatie van directe confrontatie hebben de nieuwe
sectoren een productiviteitsvoordeel dat hen een niet meer in te halen
voorsprong op de oude concurrentie geeft. De win-win-situatie slaat om in een
'I win, you loose'-situatie waarin de nieuwe sectoren terrein winnen ten koste
van de oude. Het resultaat van dit crowding out-proces is een sterke stijging
van de macro-economische productiviteit die vooral het resultaat is van een
toename van het aandeel van de nieuwe sectoren in de totale output. Dit is het
proces dat wordt aangeduid met de term 'creative destruction'. Hier worden de
oude sectoren door de nieuwe verdreven. Hier treedt de langverwachte en fel
begeerde acceleratie van de productiviteitsstijging op. Pas nu lost de
productiviteitsparadox zich op.
Afgebrand dorp
Nu doet zich het merkwaardige fenomeen voor dat het finest
hour van de aanhangers van de nieuwe economie, het moment waarop de
productiviteitsparadox lijkt te zijn opgelost, tevens het 'memento mori' van de
nieuwe economie is. Creative destruction betekent onder deze omstandigheden
tevens 'job destruction' omdat sectoren met een lagere productiviteit en
bijgevolg een hogere werkgelegenheidsquote worden verdrongen door sectoren met
een lagere werkgelegenheidsquote. De werkloosheid neemt toe, de stimulans van de
consumptie vervalt, de afzetgroei neemt af, malaise dient zich aan. De
optimismefactor die zo belangrijk is in ~ huidige groeifase verdwijnt en de
economische ontwikkeling krijgt een stagnerende ondertoon. De nieuwe economie
wordt weliswaar algemeen, maar om zich heen ziend moet ze constateren dat ze
slechts burgemeester van een afgebrand dorp is geworden. De euforie verdwijnt
en de daaruit voortgekomen optimistische voorspellingen over een structurele
verhoging van het tempo van economische groei blijken in de werkelijkheid van
dat moment op drijfzand te berusten. Hiermee vervalt de eerste claim van de
nieuwe economie. De vraag dringt zich nu op welke consequenties dit heeft voor
de tweede claim van de aanhangers van de nieuwe economie, namelijk dat de ICT -revolutie
de conjunctuurbeweging zou doen verdwijnen.
De theorie van de lange golven vat de economische werkelijkheid op als een
conglomeraat waarin gelijktijdig meerdere bewegingstypen voorkomen die als het
ware op elkaar gestapeld zijn. Kondratiev constateerde al in een van zijn
eerste artikelen over dit onderwerp dat de lange golf verweven is met de
kortere conjunctuurgolf. Die verwevenheid kwam in zijn ogen tot uitdrukking in
de empirische karakteristiek dat de korte conjunctuurgolven geaccentueerd worden
door de lange golf in die zin dat tijdens de opgaande fase van de lange golf de
opgaande fasen van de korte conjunctuurgolven versterkt worden (en de
neergaande fasen afgezwakt), terwijl in de neergaande fase het omgekeerde het
geval is. Kondratiev veronderstelde daarmee impliciet dat de interactie tussen
de lange golf en korte conjunctuurgolf tot gevolg heeft dat de structuur van de
laatste veranderd zodanig dat de hoogconjunctuur overheerst tijdens de opgaande
fasen van de lange golf en de laagconjunctuur tijdens de neergaande fase van de
lange golf. Het valt echter eenvoudig in te zien dat zelfs als de structuur van
de conjunctuurbeweging hetzelfde blijft, de uiterlijke verschijningsvorm ervan
verandert als men haar superponeert op een langere draaggolf. Feitelijk is deze
vormverandering niet meer dan een optische illusie. Het behoeft geen betoog dat
het zeer wel denkbaar is dat een dergelijke optische illusie ten grondslag ligt
aan het optimisme van de aanhangers van de nieuwe economie over het verdwijnen
van de conjunctuur.
Feiten
Kondratievs stelling over de vorm en structuur van de
conjunctuurbeweging is overigens consistent met de gangbare.
conjunctuurtheorie. In diverse varianten van deze theorie behoort immers het
trendmatige groeitempo tot de parameters die in hun onderlinge verhouding de
vorm van de conjunctuurcyclus bepalen. De hoogte van de trendmatige groeivoet
heeft in de regel een invloed op de dempingsgraad van de beweging in die zin
dat de demping groter is naarmate het trendmatige groeitempo hoger is. Met
ander woorden de conjuncturele schommelingen zijn klein als de trendgroei hoog
is en de schommelingen zijn groot als de trendmatige groeivoet laag is. Anders
gezegd: tijdens de opgaande fase van de. Kondratiev-golf zijn de conjuncturele fluctuaties
mild en tijdens de neergaande fase doen zich heftige fluctuaties voor. Het is
onwaarschijnlijk dat deze dynamische krachten significant aangetast worden door
het dempende effect dat, door middel van zijn invloed op de voorraadbewegingen,
van de ICT -revolutie uitgaat. Uit het perspectief van de langegolftheorie is zodoende
de verwachting dat met het proces van creatieve destruction weliswaar de
verwachtingen van de aanhangers van de nieuwe economie van een stijgende
arbeidsproductiviteit bewaarheid worden, maar dat dit moment samenvalt met een ommekeer
in het trendmatige groeitempo. Dit heeft op de eerste plaats tot gevolg dat de
optimistische voorspellingen ten aanzien van de permanente verhoging van het
groeitempo in strijd met de feiten blijken te zijn. Op de tweede plaats heeft
dit tot gevolg dat vanwege de terugval in de trendmatige groei de
conjunctuurbeweging zich opnieuw in zijn volle omvang zal gaan manifesteren.
Hiermee zal dan ook de tweede stelling van de aanhangers van de nieuwe economie
in rook opgaan. Dr. J.P.G. Reijnders is als universitair hoofddocent verbonden
aan de capaciteitsgroep Economie van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de
Universiteit Utrecht. Zijn wetenschappelijke werk betreft de economische
dynamiek op lange termijn, de conjunctuurleer, de economische politiek en de
geschiedenis van het economische denken.- Tekst bij vier figuren -
Perspectivische
vertekening
Verschillen in interpretatie van de feiten blijken met name
te berusten op het maken van verschillende uitsneden uit de economische
geschiedenis. Het perspectief van de 'nieuwe economie' (1) komt naar voren als
de uitsnede het laatste decennium van de vorige eeuw betreft. Aan het begin van
de jaren 90 is er een ommekeer. Het gemiddelde groeitempo laat een stijgende
lijn zien en deze observatie wordt aangevuld met de impliciete projectie van
een rooskleurige toekomst met een stijgende groeitrend en met de impliciete
aanname dat het groeitempo vóór 1990 nog lager lag. Het perspectief van het
'poldermodel' (2) komt naar voren als men de tijdshorizon uitbreidt met de
jaren 80. De groeicijfers uit de jaren 90 worden in tenminste één geval nog
overtroffen en verder lijken de slechte tijden verder naar voren te zijn
geschoven.
In dit geval komt de ommekeer in 1982, het jaar van het Akkoord van Wassenaar,
het begin van het poldermodel. Aldus kan de groeiversnelling worden
toegeschreven aan het succes van het poldermodel. Het perspectief van de
'productivity slowdown' (3) ontstaat als het raam der geschiedenis nog verder
wordt opengeschoven. Dit levert het beeld op dat de macro-economen voor ogen
staat als het gaat over de groeivertraging die het gevolg is van de
productivity slowdown: hoge gemiddelde groei in de jaren 50 en 60, lage
gemiddelde groei in de jaren 80 en 90.Het perspectief van de 'lange golf (4)
ontstaat als men een continue functie door het tijdsverloop 1950-2000 trekt. De
verschillende fasen gaan nu geleidelijk in elkaar over. Hierdoor ontstaat een
genuanceerder beeld. De fluctuaties in de groeivoet vertonen een systematisch
patroon, een lange golf waarvan de periode ongeveer 50 jaar bedraagt. Deze
staat in de literatuur bekend als de
zogenaamde 'Kondratiev-golf. -AG 26 -'Oude' bedrijven haken aan bij nieuwe
economie. De nieuwe economie zal de oude versterken. In steeds sterkere mate
zullen volgens prof. dr. Bart van Ark 'oude' bedrijven gebruik maken van door
de ICT -sector geproduceerde goederen en diensten. ICT is veel verder
doorgedrongen in de oude economie dan de cijfers doen vermoeden. Het verschil
tussen oud en nieuw lost vanzelf op. En daarmee bestrijdt Van Ark het standpunt
van dr. Jan Reijnders in de Automatisering Gids van vorige week.
Bart van Ark
Het mediageweld in Nederland van het afgelopen jaar over de
opkomst van de 'nieuwe economie' heeft de gemiddelde gebruiker van informatie-
en communicatietechnologie (ICT) in grote verwarring achtergelaten. Doet de
gemiddelde PC-bezitter die bankiert via het Internet of het zelfs al eens
gewaagd heeft met z'n creditcard iets te bestellen bij Amazon.com, mee aan een
ordinaire hype? Of zorgt hij er hiermee juist voor niet uitgerangeerd te raken
als tweederangsburger die anders straks niet meer mee zal kunnen komen in het
nieuwe informatietijdperk? Worden het in Nederland Amerikaanse toestanden, met
Internet als de sleutel tot communicatie met anderen? Of raken we hopeloos
achterop en wordt Nederland ( het toonbeeld van digibetisme? Ook economen
zoeken driftig naar verklaringen \ voor de aan- of afwezigheid van een nieuwe economie.
Het artikel van Jan Reijnders in de Automatisering Gids van vorige week (23
juni) is een goed geslaagde poging om een en ander in een handzaam 'model' te
plaatsen. Het verhaal is aansprekend en goed onderbouwd, maar met de conclusie
ervan kan ik niet instemmen. Waar Reijnders concludeert dat de nieuwe economie
de oude uiteindelijk zal verdrijven, ben ik van mening dat de nieuwe economie
de oude juist zal versterken. De integratie van de nieuwe en de oude economie
zal moeten resulteren in een 'gewone' economie, die in ieder geval voor geruime
tijd sneller zal kunnen groeien dan tijdens de jaren zeventig en tachtig van de
vorige eeuw het geval is geweest. Om de discussie enigszins op de rails te
houden is het zinnig te proberen de nieuwe economie een kwantitatieve
onderbouwing te geven. Dat dat in veel beschouwingen achterwege blijft is wel
begrijpelijk. Het meten van de nieuwe economie roept nogal wat problemen op.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek beschikt niet over al te veel
kant-en-klaar cijfermateriaal. Maar met wat kunst- en vliegwerk is het toch
mogelijk om een redelijk betrouwbaar beeld te krijgen. Als we~r vanuit gaan dat
het bij de nieuwe economie vooral gaat om het toenemend belang van ICT als dé
doorbraaktechnologie van deze tijd, dan blijkt het volgende: de ICT -sector
zelf behelst in Nederland (en ook elders in de wereld) minder dan 10 procent
van de totale productie en werkgelegenheid. In dat opzicht heeft de nieuwe
economie dus niet zoveel om het lijf. Daarentegen is de productiviteitsgroei in
de ICT -sector spectaculair. Het gaat er echter vooralom wat de 'oude economie'
met die producten en diensten uit de nieuwe economie doet. Nu zijn de
investeringen in ICT in de afgelopen jaren snel toegenomen en deze steken zeer
gunstig af bij het veel tragere gemiddelde investeringstempo.
De grote vraag blijft echter of op langere termijn ook in de oude economie een
versnelling van de groei van de productiviteit kan worden behaald. Naar mijn
mening zal dit sterk afhangen van de vraag of de economie en de samenleving
genoeg ruimte krijgen om de voordelen van ICT in hun volle breedte te benutten.
Meten
Sommigen beargumenteren dat pogingen tot het kwantificeren van de
nieuwe economie vruchteloos zijn. Er zijn inderdaad problemen met het meten van
de waarde en met name de prijsveranderingen van ICT -goederen en -diensten,
zoals computers, telecommunicatie, Internetsoftware en dergelijke. De prijs van
een doorsnee-personal computer is bijvoorbeeld in de afgelopen jaren niet veel
veranderd, maar als men dit corrigeert voor de snelle veranderingen in de
capaciteit en kwaliteit van deze apparaten blijkt er sprake te zijn van grote
prijsdalingen. Die kwaliteitsverbeteringen zijn door de statistici nauwelijks
bij te benen, waardoor de gemeten prijzen doorgaans onvoldoende naar beneden
toe zijn gecorrigeerd en de 'reële' productie van ICT -goederen is onderschat.
Bovendien is de productie van bedrijfstakken die bij uitstek kunnen worden
aangemerkt als grote gebruikers van ICT, zoals de financiële en zakelijke
dienstverlening, 'ook nog eens lastig te meten. Dat laatste draagt meestal bij
tot een verdere onderschatting van de groei, maar soms ook tot een
overschatting. Bijvoorbeeld, de introductie van ICT bij
luchtvaartmaatschappijen heeft zonder twijfel bijgedragen tot een efficiëntere
afhandeling van passagiers en bagage. Echter, de bekende ervaringen van
overvolle vliegvelden en vliegtuigen, vertragingen en slechte dienstverlening hebben tenminste voor de
consument tot een beperkte meerwaarde geleid. Hoe dan ook, een ruwe schatting
suggereert dat omstreeks i 25 procent van de gemeten vertraging in de
productiviteitsgroei in Nederland sinds het midden van de jaren tachtig te
wijten is aan dit soort meetproblemen. Dit betekent dat de groei van de
arbeidsproductiviteit in Nederland sinds 1985 dus niet met slechts 1,8 procent
zou zijn gegroeid, maar met wellicht 2, 1 procent. Correcties voor
meetproblemen leiden dus niet tot een spectaculair hogere productie- en
productiviteitsgroei. Overigens zitten de statistici ook niet stil. Veel van de
hierboven genoemde problemen zijn oplosbaar en deels al opgelost. Zo heeft er
recentelijk in de Nederlandse nationale rekeningen een aanpassing
plaatsgevonden voor de meting van de productie van banken, die vervolgens heeft
geleid tot een flinke opwaartse correctie van de gemiddelde jaarlijkse
productiviteitsgroei i.n die bedrijfstak van enkele procent-punten. De ICT
-producerende sector is klein, maar de uitgaven aan ICT -goederen en -diensten
nemen snel toe. Afhankelijk van wat men precies meetelt, is het aandeel van ICT
-industrieën en -diensten in de totale productie in Nederland toegenomen van
zo'n 4 a 6 procent rond het midden van de jaren tachtig tot zo'n 5 a 8 procent
aan het einde van de jaren negentig. (Onder ICT -industrieën vallen
kantoormachines en computers, overige elektrische machines, audio-, video- en
telecommunicatieapparatuur en medische, meet- en regelapparatuur. Onder ICT
-diensten vallen telecommunicatie- (inclusief post) en computerdiensten.) Dat
lijkt weinig, maar deze industrieën zijn gezamenlijk wel verantwoordelijk voor
zo'n kleine 20 procent van de groei van het bruto binnenlands product in
Nederland sinds 1995.Belangrijker is dat de bedrijven in de oude economie in
steeds sterkere mate gebruik beginnen te maken van de door de ICT -sector
geproduceerde goederen en diensten. Recente schattingen door het Centraal
Planbureau tonen aan dat het aandeel van ICT in de investeringen v9n bedrijven
in de marktsector sterk is toegenomen tot rond 20 procent. ICT is dus veel
verder doorgedrongen in de economie, inclusief de oude economie, dan de cijfers
omtrent productieaandelen suggereren.
Klaagzangen
Door sommigen wordt beweerd dat Nederland echter ver
achterop loopt bij het buitenland. Met name de 'high-tech'-sector zou in
Nederland niet veel voorstellen. Bovendien zou de combinatie van een
loonmatigingsbeleid en de lakse rol van de overheid het gebruik van ICT niet
stimuleren. Cijfers van de OESO laten echter een heel ander beeld zien. Zo
lagen de uitgaven aan ICT als percentage van het bruto binnenlands product in
Nederland op 7 procent in 1997, hetgeen aanzienlijk hoger is dan het gemiddelde
van 5,9 procent voor de hele Europese Unie en niet veel lager dan de 7,8
procent in de Verenigde Staten.
In 1996 had al 43 procent van de Nederlandse huishoudens een PC, hetgeen
gunstig afsteekt tegen de 37 procent in de VS. En ook als we kijken naar de
totale voorraad aan ICT -kapitaalgoederen doen we het niet slecht: een
vergelijking van CPB en OESO-cijfers laat zien dat in 1996 de Nederlandse
kapitaalgoederenvoorraad in ICT 6, 75 procent uitmaakte van alle opgestelde
machines en gebouwen, hetgeen iets lager was dan in de Verenigde Staten (7,5
procent), maar aanzienlijk hoger dan in Engeland, Duitsland, Frankrijk of
Japan. De voortdurende klaagzangen van Maurice de Hond zijn dus eerder van
toepassing op de ons omringende landen dan op Nederland.Op het eerste gezicht
lijken deze cijfers het beeld van een opwaartse cyclus in een nieuwe
technologiegolf, is beschreven door Reijnders in het vorige nummer van
Automatisering Gi s, aardig te ondersteunen. In de opgaande fase van zo'n
nieuwe golf trekken de nieuwe bedrijven de oude mee en zorgen ze gezamenlijk
voor een sterke uitbreiding van de productie. Tevens verwacht men volgens deze
theorie een trage ontwikkeling van de productiviteit tijdens de opgaande fase,
omdat de oude economie geen productiviteitsgroei genereert en, vanwege haar rol
in de productieuitbreiding, maar weinig terrein prijsgeeft aan de nieuwe
economie. Het is inderdaad waar dat de Nederlandse economie al jaren met een
flinke productiviteitsvertraging te kampen heeft. Bovendien wordt een gedeelte
van die groei in de arbeidsproductiviteit nog voortgebracht door investeringen
in kapitaalgoederen in plaats van door een. efficiënter gebruik van die
kapitaalgoederen. De totale factor productiviteit (dat wil zeggen de groei van
productie gecorrigeerd voor de toename in arbeid en kapitaalgoederen) nam
daardoor met niet meer dan 1 procent toe sinds het einde van de jaren tachtig.
Kritiek
Ook al lijken bovenstaande cijfers een opgaande lijn in de
technologiegolf dus redelijk te kunnen beschrijven, toch valt hierop nog wel
het een en ander af te dingen. De oorzaken van de productiviteitsvertraging
hoeven namelijk niet direct aan de technologiegolf te worden gerelateerd. Zo is
de tragere groei veelalook toegeschreven aan de loonmatigingsgolf die is
ingezet met het Akkoord van Wassenaar aan het begin van de jaren tachtig.
Loonmatiging zou hebben geleid tot een verschuiving van arbeidsdeelname van
hoog- naar laaggeschoolde arbeid en van hoog- naar laagproductieve
dienstensectoren. Sommigen, zoals de econoom Kleinknecht van Technische
Universiteit Delft, beweren dat die loonmatiging een directe negatieve invloed
heeft gehad op het innovatietempo in Nederland.Zoals hiervoor reeds gemeld kan
deze stelling, kijkend naar de recente productiviteitsversnelling in ICT
-goederen en -diensten, niet overeind gehouden worden. Maar belangrijker is dat
de meest recente cijfers nu ook een productiviteitsversnelling laten zien voor
typisch ICT -gebruikende dienstensectoren uit de oude economie, zoals
bijvoorbeeld de autohandel, groothandel en sommige bedrijfstakken in de
transportsector, zoals transport van goederen over water. Een mogelijke
verklaring hiervoor is dat, volgend op de snelle productiegroei in deze
bedrijfstakken, er nu een herschikking van bedrijven en een versterking van de
concurrentiepositie plaatsvindt die productiviteitsverhogend werkt. Dit
betekent dus niet dat de oude economie door de nieuwe wordt verdreven, zoals in
Reijnders' model van technologiegolven, maar dat deze juist wordt versterkt
door het beschikbaar komen van nieuwe technologieën. Recente studies van
innovatiegedrag van bedrijven in de dienstensector laten inderdaad een beeld
zien van een hoge mate van vernieuwing in producten en diensten, welke gepaard
gaat met een hoge introductiegraad van informatie- en communicatietechnologie.
Zo blijkt bijvoorbeeld dat in 1996 innovatieve bedrijven in de dienstensector
gemiddeld evenveel uitgaven aan ICT als bedrijven in de industrie, ook al zijn
er grote verschillen tussen de bedrijfstakken. Een ander kritiekpunt op het
model van de technologiegolf is dat de neerwaartse fase wordt ingeluid door het
feit dat het productieproces op fysieke bovengrenzen stuit. Een aanhanger van
de nieuwe economie zou beargumenteren dat de beschikbaarheid van traditionele
productiefactoren zoals machines, infrastructuur en misschien zelfs menselijk
kapitaal, nu juist door de nieuwe informatie- en communicatietechnologie een
minder beperkende factor is geworden.
Tweedeling
Alle bovengenoemde cijfers hebben één gemeenschappelijke tekortkoming: de
periode waarover we deze kunnen analyseren is te kort. Het is pas sinds hooguit
een decennium dat ICT een daadwerkelijke invloed op de macro-economische cijfers
begint te laten zien. Dat is overigens ook normaal bij een
doorbraaktechnologie. Bij de introductie van elektriciteit rond de vorige
eeuwwisseling heeft het ook drie tot vier decennia geduurd voordat de effecten
op macro-economisch niveau zichtbaar werden. Het is daarom begrijpelijk dat we
veelal naar de Verenigde Staten kijken, die in dit opzicht zo'n vijftal jaren
op ons voorlopen, om ons een voorstelling te maken van wat de effecten van ICT
op onze economie zouden kunnen zijn. Er duiken dan behalve positieve vooralook
veel negatieve beelden op. Zo zou de Amerikaanse situatie laten zien dat de
toepassing van ICT -technologie de inkomens van hoogopgeleiden opdrijven in
vergelijking tot die van laagopgeleiden, waardoor een ongewenste
maatschappelijke tweedeling ontstaat. Het is inderdaad zo dat er in de
Verenigde Staten sprake is van een toename in de inkomensongelijkheid. Dat kan
echter even goed samenhangen met karakteristieken van de Amerikaanse
arbeidsmarkt die met technologie niet veel uit te staan hebben, zoals
bijvoorbeeld een zwak ontwikkeld sociaal zekerheidsstelsel. Bovendien zou men
juist van de netwerkeffecten van ICT mogen verwachten dat ook laagopgeleiden
ervan kunnen profiteren vanwege de grotere gebruiksvriendelijkheid waarmee de
netwerkeffecten gepaard gaan. Het grote gevaar voor veel Europese landen,
inclusief (nog steeds) Nederland, is dat een
gebrek aan flexibiliteit in de product- en arbeidsmarkt er juist toe zou
kunnen leiden dat deze positieve effecten van ICT voor laagopgeleiden niet worden
gegenereerd.
Creative destruction
Structurele hervormingen van de markten voor arbeid,
kapitaal en goederen en diensten zijn dan ook gewenst om de potentiële
productiviteitseffecten van ICT ten volle te kunnen benutten. Dat gaat veelal
gepaard met grote herschikkingen van economische activiteiten. Zo
vertegenwoordigen de snelle bewegingen in de koersen van technologiefondsen. Tenminste
voor een deel het risicovolle karakter van deze nieuwe activiteiten. Er zijn nu
eenmaal veel 'losers' en maar weinig 'winners' in de nieuwe economie, en
positieve en negatieve verwachtingen ten aanzien van het succes van bedrijven
in deze sector wisselen elkaar snel af. Het argument dat 'nieuwe
economie'-bedrijven geen winst hoeven te maken is natuurlijk onzin. Op lange termijn
zal productiviteit en winstgevendheid hét selectiecriterium voor blijvers en afvallers
zijn. Op kortere termijn kan dit echter niet zo gemakkelijk worden gesteld. Starten
is in deze wereld makkelijk maar 'blijven' vereist voortdurende vernieuwing en
herschikking van activiteiten. De herschikkingen zijn overigens een belangrijke
reden voor de voortdurende reeks overnames en fusies, niet alleen binnen de ICT
-sector maar vooralook tussen nieuwe en oude bedrijven in de economie. Dat
leidt vaak tot ontslagen, herplaatsingen en weinig productiviteitsgroei op
korte termijn. Die dynamiek is echter noodzakelijk om op lange termijn het
verschil tussen de nieuwe en oude economie te doen laten verdwijnen. In
navolging van Schumpeter noemt Reijnders een dergelijke dynamiek 'creative
destruction'. Echter, door het toe te passen op sectoren in plaats van
bedrijven mist hij het belangrijkste punt: door 'creative destruction'
verdwijnen bedrijven die niet succesvol zijn in het toepassen van de nieuwe
technologie. Hierdoor zal het verschil tussen de oude en nieuwe economie na
verloop van tijd vanzelf oplossen, en bevindt de economie zich op een nieuw
traject van productiviteitsgroei waarvan men meerdere decennia kan profiteren.
Prof. dr. Bart van Ark is als hoogleraar 'Economie van productiviteit en
technonologiebeleid' verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Waarop de productiviteitsparadox lijkt te zijn opgelost, schreef dr. Jan
Reijnders twee weken geleden in Automatisering Gids, is tevens het 'memento
mori' van de nieuwe economie. Prof. dr. Bart van Ark stelde daar vorige week
tegenover dat het verschil tussen de oude en nieuwe economie vanzelf oplost.
'ICT is veel verder doorgedrongen in de oude economie dan de cijfers doen
vermoeden.' Vandaag de reactie van prof. dr. Luc Soete.Luc Soete. Dr. Jan
Reijnders stelt in zijn betoog in de Automatisering Gids van 23 juni dat de
langegolftheorie een geschikter kader biedt om de huidige, historisch
ongeëvenaarde, periode van hoogconjunctuur in de Verenigde Staten -en tegenwoordig
ook in Nederland -te verklaren dan de populaire verklaring van de opkomst van
een nieuwe economie. Beide visies zoeken in de spreiding en toepassing van
nieuwe informatie- en communicatietechnologie (ICT) de voornaamste verklaring
voor de huidige opleving van economische groei. In deze zin vinden beide
theorieën zich dan ook. Maar in de langegolfvisie van Reijnders moet er hoe dan
ook een einde komen aan de groei-impuls van ICT: de expansieve groei stoot
automatisch na een zekere periode tegen 'fysieke bovengrenzen' aan, zoals
volledige werkgelegenheid en wat hij de 'overvoering van de markt' noemt. Als
gevolg hiervan zal dan ook een tendens tot overcapaciteit ontstaan, gepaard
gaande met de 'creatieve destructie' van oude sectoren en uiteindelijk ook een algemene
toename in productiviteitsstijging. Prima, zou u denken, maar niet in
Reijnders' langegolfvisie. De algemene toename in productiviteitsstijging.
vertegenwoordigt alles behalve de doorbraak van de 'nieuwe' sectoren maar is,
in Reijnders' woorden, eerder "het memento mori van de nieuwe economie. De
nieuwe economie wordt weliswaar algemeen, maar om zich heen ziend moet ze
constateren dat ze slechts de burgemeester van een afgebrand dorp is
geworden."En 'zo drijft de euforie van de nieuwe economie uiteindelijk op
drijfzand. Alvorens dieper in te gaan op Reijnders' analyse, wil ik kort mijn
eigen positie ten opzichte van de langegolftheorie toelichten. Gelovigen
Zo'n twintig jaar geleden was ook ik gefascineerd door het
fenomeen van lange golven in de economie, de zogenaamde Kondratievs, regelmatig
weerkerende 50-jaarlijkse cycli van voorspoed en neergang die volgens de
Russische statisticus kenmerkend zouden zijn voor onze westerse economieën
sinds de industriële revolutie. Althans, zo beweerde de eind jaren '30
vermoorde Nikolai Kondratiev in 1928.De eerste lange golf dateerde in
Kondratievs visie van grofweg 1790 tot 1840, de tweede van 1840 tot 1890 en de
derde begon in 1890. De 'grote' recessie van begin jaren '30 was vanuit
Kondratievs visie de aanzet voor een nieuwe vierde lange golf die zou lopen van
1940 tot 1990. Kondratiev stond niet alleen in zijn zoektocht naar regelmaat in
economische trends. In Nederland publiceerde ook Tinbergen over
langetermijncycli. Na de tweede wereldoorlog bleven tot het midden van de jaren
'60 theorieën over conjunctuurcycli, of ze nu van korte of lange duur waren,
populair in de economische wetenschap, vooral in België en Nederland. Maar de
lange periode van naoorlogse wederopbouw duwde theorieën over langetermijngolven
enigszins naar de achtergrond.De economische crisis van eind jaren '70 was
echter voor veel wat meer kritische economen de aanleiding om te zoeken naar
nieuwe verklaringen voor het plotselinge einde van de dertig jaren van
naoorlogse economische voorspoed. De dominante macro-economische visie hield
het op olieschokeffecten. Eenmaal verdisconteerd zouden economische groei en
volledige werkgelegenheid snel terugkeren. Met enkele Britse collega's, ik
werkte toen in Engeland, werden de oude theorieën over lange golven die
oorspronkelijk door de Nederlander Van Gelderen ontwikkeld werden in 1913, uit
de kast gehaald, om de snelle toename in werkloosheid te verklaren. Vele
artikelen, en zelfs een boek, werden geschreven. In Nederland was toen Jaap van
Duijn bezig met zijn magnum opus, in Duitsland Alfred Kleinknecht. Het was een
snel uitdijend clubje van langegolfaanhangers. Lange golven in de economie, zo
bleek al snel, ook al kon het empirische bewijs gevonden worden voor
veellanden, was iets om in te geloven. Voor mij was het meest sluitende bewijs
het feit dat bijna vijftig jaar na Kondratievs bijdrage, de recessie van 1982
precies paste in het plaatje dat Kondratiev geschetst had.
Jaap van Duijn, nu topman bij Robeco, was ongetwijfeld de meest gelovige en
durfde zelfs op de achterkant van zijn boek te voorspellen dat er pas sprake
zou zijn van een nieuwe hoogconjunctuur in 1992. Wij, met reeds drie jaar
Thatcher-bezuinigingen achter de kiezen, konden zo'n deterministisch pessimisme
niet verkroppen. Trouwens wat had het beleid nog te vertellen, als de economie
zich zo strak aan een schier mechanisch patroon van eb en vloed zou houden en
we het nog eens tien jaar zouden moeten uitzitten voordat er sprake kon zijn
van een nieuwe periode van hoogconjunctuur?
Elektriciteit
Zoals die van Van Duyn en Kleinknecht richtte onze analyse
zich ook expliciet op mogelijke verklaringen van lange golven die verband
hielden met de ontdekking en spreiding van clusters van nieuwe technologieën.
Terwijl ontdekkingen zich min of meer per toeval zouden voordoen, vond de
economische toepassing en diffusie van deze technologieën plaats volgens een
meer endogeen proces van Schumpeteriaanse creatieve destructie. Landen,
bedrijven, werknemers die zich niet konden of wilden aanpassen, zagen zich
gepasseerd door nieuwkomers die zich sneller en gemakkelijker konden aanpassen
aan de nieuwe technologie. De wet van de remmende voorsprong indachtig kon
gesteld worden dat technologisch leidinggevende landen of bedrijven het vanuit
dit perspectief het moeilijkst zouden hebben. Bestaande bedrijven die groot
geworden waren dankzij de oude technologie konden zelfs over de kop gaan. De
jaren '80 waren, vanuit dit oogpunt, jaren van moeizame structurele aanpassing
aan de opkomende informatietechnologie. Dit aanpassingsproces was praktisch per
definitie een langzaam proces omdat de technologie nog in volle ontwikkeling
was en er geen blueprint voor de beste organisatievorm geschetst kon worden.
Japan werd vanuit dit oogpunt dikwijls afgeschilderd als de nieuwe
technologische wereldleider. De nieuwe technologie liet ook tal van
toepassingsmogelijkheden toe al naar gelang de sector van activiteiten, de
grootte van de onderneming, de kennis van werknemers. De vergelijking werd
gemaakt met de verspreiding van elektriciteit
begin deze eeuwen het langzame leerproces dat uiteindelijk leidde tot de
radicale, organisatorische doorbraak van individuele elektriciteitsaandrijving.
Voordien bestond de toepassing van elektriciteit vooral in de rechtstreekse
vervanging van centraal aangedreven stoommachines. Oud en nieuw Nu, eind jaren
'90, zoals door Reijnders aangetoond, lijken veel van deze inzichten
opmerkelijk goed te passen in het idee van de opkomst van een vijfde
Kondratiev-golf begin jaren '90. Een periode van langdurige hoogconjunctuur
vooral gebaseerd op de spreiding van informatie- en communicatietechnologie,
zoals Internet, waarvan de productiviteitsstijgingen zich nu pas echt beginnen
te manifesteren. In deze visie zou de periode van hoogconjunctuur nog zeker
tien a vijftien jaar duren. Dan komt de onvermijdelijke neergang. Hoe
aantrekkelijk ook en hoe op het eerste gezicht historisch sluitend, de
langegolfvisie blijft iets voor gelovigen. Veel van de huidige ontwikkelingen
passen trouwens helemaal niet in het schema dat door Reijnders wordt geschetst.
Eerst en vooral lijkt het oude sectorale onderscheid dat Reijnders maakt tussen
oude en nieuwe sectoren vandaag niet langer te passen in het schema van oud en
nieuw van de nieuwe economie. Op dit ogenblik zijn het bijvoorbeeld
voornamelijk 'oude' sectoren die een stijging laten zien in
productiviteitsgroei en winst als gevolg van de toepassing van ICT.De echt
'nieuwe' ICT -sectoren daarentegen worden eerder gekarakteriseerd door groei op
nieuwe netwerkmarkten en zware verliezen. De zeer hoge koerswinst-verhouding
van nieuwe dot.com-bedrijven wordt slechts gerechtvaardigd door de (irreële)
verwachting van beleggers dat deze bedrijven in de toekomst gigantische winsten
zullen realiseren. Vanuit dit perspectief lijkt de huidige periode eerder op de
'tulipomania' of andere periodes van speculaties aan de vooravond van een grote
depressie. Dat is trouwens ook de stelling van andere langegolfgelovigen, zoals
Christopher Freeman en Andrew Tylecote. Het is dan ook onduidelijk uit
Reijnders' betoog waar we ons nu precies bevinden op de lange golf: aan de
vooravond van een depressie of aan de vooravond van de piek? Wat mijns inziens
op dit ogenblik speelt, lijkt eerder het omgekeerde van wat Reijnders beweert:
de productiviteitsgroei en verwachte arbeidsuitstoot in 'oude' sectoren (zoals
banken en verzekeringen) biedt 'nieuwe' sectoren meer koop- en arbeidskracht
zodat de fysieke groeibeperkingen omwille van arbeidsmarkttekorten nu juist
niet optreden.
Daarom bijvoorbeeld reageren Amerikaanse beleggers steeds weer zo positief als
zij horen dat de werkgelegenheidsgroei in de VS lager is geweest dan verwacht
en de productiviteitsstijging hoger.
Mechanisch
Een tweede factor die vragen oproept met betrekking tot de
langegolftheorie is de veronderstelling dat steeds weer dezelfde, identieke,
tijdvertragingsfactoren zich voordoen in het opbouwen van productiecapaciteit
in elke lange golf, nu dan met betrekking tot de cluster van nieuwe ICT. Dit
was oorspronkelijk de voornaamste factor in Kondratievs verklaring voor het
verschijnsel van lange golven. Kondratiev dacht hierbij vooral aan
infrastructurele investeringen. Het vandaag aanleggen van telecominfrastructuur
(mobiel of vast) vergt echter zeker niet dezelfde lange tijdsperiode kenmerkend
voor vorige Kondratievs. In de nieuwe economie bevinden zich trouwens veel van
de nieuwe en oude sectoren in het dienstengedeelte van de economie, waarin
immateriële goederen en diensten geproduceerd en gedistribueerd worden. De
schaarste, prijs en tijdsfricties die optreden als gevolg van plotselinge
sterke groei zijn van een totaal andere orde dan in het geval van spoorwegen,
staalfabrieken of elektriciteitscentrales. Juist ICT -toepassingen bieden
mogelijkheden tot het verminderen van voorraadbeheer en het beter doen
aansluiten van vraag op aanbod. Kortom, historische vergelijkingen zoals binnen
het kader van de langegolftheorie, bieden onschatbare inzichten in het belang
van institutionele 'mismatchen' en andere rigiditeiten en starheden die de
spreiding van nieuwe technologie vertragen. Op dit ogenblik bijvoorbeeld kan
dit ongetwijfeld in belangrijke mate verklaren waarom productiviteitsstijgingen
dankzij toenemend gebruik van ICT, meetproblemen daar gelaten, zich zo traag en
moeizaam lijken voor te doen. Dit heeft alles te maken met het moeizaam zoeken
naar de precieze organisatorische inbedding van een algemeen toepasbare
technologie zoals ICT. Wat in de banksector optimaal werkte in het geval van
backoffice-actviteiten, zal dat mogelijk helemaal niet zijn in het geval van
Internet-bankieren.Maar historische vergelijkingen kunnen ook helemaal
verkeerde inzichten verschaffen. Men plukt als het ware uit historisch
materiaal die feiten die goed lijken te passen in de huidige economische
ontwikkelingen. Wat Internet, ICT en de huidige macro-economische
ontwikkelingen tegenwoordig kenmerken (immaterieel, tijd- en v
afstandoverbruggend, wereldomvattend) is historisch zo uniek, dat op
geaggregeerd macro-niveau een mechanische langegolfvisie hier uiteindelijk nog
weinig inzicht kan verschaffen. Tenzij, ja tenzij men gelooft dat onze wereld
omwille van een of andere fysische reden (sunspots, klimaatveranderingen)
volgens een mechanische regelmaat van eb en vloed aangedreven zou worden. En
dat weiger ik te geloven. Prof. dr. Luc Soete is als hoogleraar Internationale
Economie verbonden aan de faculteit der Economische wetenschappen en
Bedrijfskunde van Universiteit Maastricht.- Kader -
Terminologische
verwarring
Reactie van Jan Reijnders op Bart van Ark en Luc Soete. Om
misverstanden te voorkomen heb ik in mijn artikel (Automatisering Gids van 23
juni) de termen 'oude economie' en 'nieuwe economie' vermeden omdat in het
standaardgebruik de 'nieuwe economie' uitsluitend met de ICT -sector wordt
geassocieerd en de 'oude economie' met de resterende traditionele sectoren. In
plaats daarvan maak ik een onderscheid tussen 'nieuwe sectoren' -zijnde de ICT
-sector zelf plus die delen van de 'oude' economie die bijtijds hun
productieproces aanpassen aan de 'state of the art' van ICT -toepassingen die
relevant zijn voor de betreffende branche -en 'oude sectoren', dat zijn die
delen van de 'oude' economie die hun productieproces niet of niet tijdig aan de
nieuwe technologie hebben aangepast. Klaarblijkelijk heb ik dit onvoldoende
duidelijk gemaakt en is deze nuance zowel Bart van Ark als Luc Soete ontgaan.
Opheffing van deze terminologische verwarring zou er mijns inziens toe leiden
dat Van Arks standpunt dicht in de buurt van het mijne komt te liggen en dat
ook een belangrijk deel van Soetes onrust wordt weggenomen.
De felheid van de reactie van Soete, waarin hij me afschildert als een gelovige
die het dogma verbreidt dat het economisch leven gedreven wordt door de
mechanische regelmaat van een natuurwet, verbaast me enigszins. Mijn intentie
was slechts inzicht te verschaffen in het tijdelijke verloop van het
aanpassingsproces waarmee de economie een technologische schok absorbeert. Ik
dacht hem en andere protagonisten van de 'nieuwe economie' juist een dienst te
bewijzen door een verklaring te vinden voor de productiviteitsparadox, die hen
nog steeds in verlegenheid brengt, en door een domper te zetten op de doldwaze
groei-euforie rond de 'nieuwe economie', die hun reputatie dreigt te schaden.