ICT
zorg nr 1 februari 2001 (p. 20-22)
Tekst:
Marianne Schenderling/Freelance journalist
Fotografie/Bewerking:
Pierre Schermel
Er gaat behoorlijk veel fout met investeringen in ICT. Vooral op organisatieniveau wordt veel tijd en geld aan ICT besteedt, maar wat die investeringen opleveren is niet bekend. Om hier verandering in aan te brengen heeft Christel Deckers, controller in het Slotervaartziekenhuis, een conceptueel beslismodel voor investeringen in informatie- en communicatietechnologie ontwikkeld.
Volgens
Deckers heeft menige organisatie het informatiebeleid nog niet verankerd in het
strategisch beleid. “Men ziet ICT nog te vaak als de enige oplossing voor
organisatieproblemen, ook op projectniveau. Maar het is een twijfelachtige
oplossing, want automatisering van chaos kan hooguit leiden tot
geautomatiseerde chaos. En dat er zoveel disciplines zijn betrokken bij
automatiseringsvraagstukken maakt de situatie er niet eenvoudiger op. Toekomstige
gebruikers, ontwikkelaars, techneuten, ze spreken allemaal hun eigen taal. Wil
je alle neuzen dezelfde kant op krijgen – en dat is nodig wil je ICT invoeren –
dan moet je niet alleen kunnen aangeven wat er nu nodig is, maar moet iedereen
ook kunnen zeggen wat hij bijvoorbeeld over een jaar wenselijk acht. Een
dergelijk wensenlijstje is echter altijd aan veranderingen onderhevig.
Gebruikers maken nu eenmaal een bepaalde ontwikkeling door.”
Deckers
is op zoek gegaan naar een beslismodel om deze problemen op te lossen. Ze
streeft ernaar dat degenen die bemoeienis hebben met investeringen in ICT
voortaan goed afgewogen beslissingen nemen. Ze dwingt de betrokkenen als het
ware hun impliciete kennis expliciet te maken, zodat er niet meer zoveel tijd
en geld wordt verspild aan onnodige ‘oplossingen’ die achteraf niet blijken te
werken. Consensus en evaluatie vormen de sleutelwoorden van het conceptueel
beslismodel.
In
het kort komt het beslismodel erop neer dat alle betrokkenen op een zo breed
mogelijk gebied oplossingen moeten zoeken voor hun probleem. Dat hoeft niet per
se een ICT-oplossing te zijn. Problemen kunnen ook op een andere manier
opgelost worden. Door niets te doen, elders oplossingen te zoeken of door juist
wel met ICT aan de slag te gaan. Het gaat niet alleen om het financiële
rendement, maar ook om kwalitatieve aspecten. Bijvoorbeeld om de verhoging van
de servicegraad, de toenemende arbeidsvreugd of de verhoogde aantrekkelijkheid
van het werk.
Deckers
heeft iets zeer voor de hand liggends gedaan door twee fasen toe te voegen aan
reeds bestaande besluitvormingsprocedures. Die procedures kenden drie fasen: de
intelligence-, de design- en de choise-fase. De intelligence-fase bestaat uit
het signaleren van problemen, het herkennen, interpreteren, formuleren en het
als zodanig erkennen van problemen. De designfase is bedoeld om de
verschillende alternatieven te genereren en te beoordelen en in de choice-fase
staat – tot nu toe – het maken van de definitieve keuze voor een bepaalde oplossing
centraal. Deckers voegde hier de implementatiefase (daarin moet consensus
worden verkregen omtrent de gekozen oplossing) en de exploitatiefase aan toe.
Tevens heeft ze twee activiteiten aan de designfase toegevoegd: het opstellen
van tijdprofielen en het disconteren van ontvangsten op basis van die
tijdsprofielen. Met dit laatste kan men vaststellen om welke ontvangsten (harde
guldens) het op termijn gaat. De choice-fase werd uitgebreid met het
vergelijken van alternatieven aan de hand van de evamix-methode.
De tweede door Deckers ingelaste fase, de exploitatiefase, bestaat uit vijf
activiteiten. Na de uitvoering van de evaluatie en de verbetering van de
performance door bijsturing moeten de tijdsprofielen worden aangepast en de netto
contante waarde worden vastgesteld voor de rest van de looptijd. Ook
komt hier de beoordeling van de gehanteerde methode om de hoek kijken.
De
extra fasen zijn belangrijk, omdat consensus van belang is voor het slagen van
het project. Bovendien moet je je bij de keuze van alternatieven afvragen
wanneer iets gerealiseerd moet zijn. “Je moet dus al in de exploitatiefase
evalueren”, stelt Deckers. “Wie alternatief A verkiest boven B, omdat A eerder
in de tijd gerealiseerd kan worden en dus ook eerder opbrengsten genereert, moet
nagaan of dat klopt. Zo lever je een bijdrage aan het verkrijgen van de
broodnodige consensus en transparante besluitvorming.”
Dit beslismodel is niet zinvol als het gaat om pakketselectie en om kleine bedragen. Een organisatie die een bepaald tekstverwerkingsprogramma wil invoeren, moet zich gewoon laten voorlichten en een pakket aanschaffen. Hetzelfde geldt voor de invoering van een boekhoudkundig pakket in een ziekenhuis.
Het
model is wèl interessant als er maatwerk nodig is en als er substantiële
bedragen en lange ontwikkeltijden mee gemoeid zijn. Een ziekenhuis dat
bijvoorbeeld zijn personeelsinformatiesysteem wil automatiseren kan er veel
baat bij hebben. Volgens het model van Deckers moeten de personeelsafdeling, de
boekhouders, de automatiseerders, het management, de directie en andere
betrokkenen zich eerst afvragen wat ze belangrijk vinden.
In
fase één krijgen ze te maken met verpleegkundigen, salarissen,
onregelmatigheidsdiensten en met allerlei andere aspecten waardoor ze niet
kunnen volstaan met een standaardpakket. Er moet iets nieuws ontwikkeld worden.
Het gaat dus om maatwerk en om grote bedragen. Bovendien moeten straks veel
verschillende werknemers met het te ontwikkelen product uit de voeten kunnen,
dus ook consensus is geboden.
Als
deze vragen duidelijk zijn, volgt de designfase. Nu moeten er alternatieven
gegenereerd en beoordeeld worden. Bij de afwegingen moet men niet alleen de
opbrengst in harde guldens meewegen, maar ook kwalitatieve aspecten zoals het
bedieningsgemak van het systeem, de arbeidsvreugde en de vriendelijkheid van de
overzichten die er uit komen. Zodra dat allemaal besproken is, kan de
definitieve keuze gemaakt worden. Wanneer alle betrokkenen de verschillende
fases doorlopen is de kans groot dat ze tot een succesvolle investering
besluiten: er is goed over nagedacht en iedereen kan zich in de keuze voor dat
bepaalde systeem vinden.
Belangrijk
is dat een organisatie in de gezondheidszorg, en ook VWS, een strategie heeft
uitgezet waarmee ze duidelijk maakt waar ze met de zorg naar toe wil en waar
het ICT-beleid moet aanhaken. Pas dan kan bepaald worden hoe ICTO ingezet wordt
en wat het moet opleveren. In zo’n geval kan een conceptueel beslismodel goede
diensten verrichten. Bijvoorbeeld bij de keuze van een Patiëntenvolgsysteem:
een nog ongestructureerd probleem waarbij maatwerk vereist is en waarmee grote
bedragen gemoeid zijn. Gebruikmakend van het conceptueel model, signaleren de
betrokkenen in fase één dat dit probleem een oplossing behoeft. In fase twee
gaat men na wat er al op de markt is, of het aanbod geschikt is voor de
organisatie en welke leveranciers zouden kunnen helpen bij de oplossing. Ook
moeten de betrokkenen zich nu afvragen of ICT wel een bijdrage kan leveren aan
de oplossing. En of ze tien leveranciers tegelijk moeten binnen halen of dat ze
eerst een wensenlijstje maken en de verschillende leveranciers één voor één
laten langskomen.
Als
de nood hoog is ligt het meer voor de hand om tien leveranciers tegelijkertijd
uit te nodigen en te kiezen. Ook een seriële keuze is mogelijk. De organisatie
gaat in zee met een leverancier die goed aansluit op de wensenlijst. In dat
geval hoeven er geen tien offers uitgebracht te worden. De andere negen
leveranciers kunnen echter wel iets beters in huis hebben.
“Behalve
het voordeel van de eenstemmigheid is nu ook de kans op succes groter”, aldus
Deckers, “succes in de zin van: het uiteindelijke product levert datgene op,
wat je in gedachten had. Ik ben er van overtuigd dat dit als model eerder had
bestaan en was gebruikt bij de ontwikkeling van het HIS, er daar nu op dit
moment geen honderden versies van hadden bestaan.”
Wat
dat betreft zou VWS het model ook goed kunnen gebruiken om tot een visie op
ICTO binnen de gezondheidszorg te komen. En een daarmee samenhangend
(financieel) beleid.
Ambtenaren
worden daarmee gedwongen na te denken over de voordelen die ze op een later
tijdstip denken te realiseren. Omdat dit nu veel te weinig gebeurt, is er
sprake van een verspilling van miljoenen guldens.
De boodschap van Deckers komt erop neer dat mensen moeten leren op vooraf gestelde momenten terug te kijken en moeten nagaan of ze hun doelen gehaald hebben. Zo nodig moeten ze geldverslindende projecten die niet tegemoet komen aan de verwachtingen durven stoppen.
De tijd zal het leren of dit conceptueel model inderdaad het juiste antwoord geeft op de moeilijkheden rond investeringen in de ICT. In ieder geval is het belangrijk om een dergelijk model met beleid toe te passen.
Model voor investeringen in informatie- en
communicatietechnologie, is beschreven in het proefschrift ‘Get I(C)T Right’.
Christel Deckers is op dat proefschrift op 14 november 2000 gepromoveerd tot
doctor in de bedrijfsinformatiekunde.
Variant op een multicriteria-analyse, niet zonder meer geschikt om het probleem rond ICT-investeringen op te lossen. Van tevoren kan niet worden vastgelegd welke ontvangsten en uitgaven zich in welke omvang zullen voordoen.
Een manier om ondernemingswaarde te bepalen (NCW-methode), loopt vaak over een periode van tien jaar. Na het tiende jaar wordt een restwaarde vastgesteld op basis van de aanname dat de kasstroom in jaar tien een goede graadmeter is voor alle jaren daarna.